www.vergadering.nu  Recensie-index  www.vergadering.nu

7 RECENSIES


Gevormd uit sterrenstof
Schepping, ontwerp en evolutie
René Fransen
Uitg. Medema, Vaassen 2009
311 blz. € 22,95
ISBN 9789063535476
Dit boek bestellen...
 
Zesduizend jaar, of iets meer. Of dertien komma zeven miljard jaar? Hoe oud is het heelal, de aarde? Het leven? De mens? En hoe verhoudt zich het Bijbelse scheppingsverhaal met de ontstaansmodellen die wetenschappers hebben getracht op te stellen? Alles roept om een antwoord op die vragen. Schepping of evolutie? Schepping én evolutie, is dat ook denkbaar? Durven we een eerlijke confrontatie aan, zelfs al weten we nog niet alle antwoorden op de vragen die dan worden opgeworpen?
De afgelopen jaren heeft René Fransen zich intensief beziggehouden met het debat over schepping en evolutie. In dit boek beschrijft hij de argumenten voor en tegen evolutie, de Big Bang, creationisme en Intelligent Design. Ook gaat hij in op de beperkingen van de wetenschap, en doet voorstellen voor een theologische duiding van de eerste hoofdstukken van Genesis. Hij pleit tegen een te strikte scheiding tussen geloof en wetenschap, en wil de twee met elkaar in gesprek brengen.

Lees ook de recensies over:
 Check it out! door René Fransen...
 Het geheime logboek van topnerd Tycho door Corien Oranje en Cees Dekker


7. Taede A. Smedes weblog - maart 2009 - https://tasmedes.wordpress.com

Recensie van Gevormd uit sterrenstof

Recensie door Reade A. Smedes

René Fransen is gepromoveerd bioloog en – zoals zoveel biologen – freelance journalist, in dit geval wetenschapsjournalist voor het Nederlands Dagblad en voor de Groninger Universiteitskrant (UK). Fransen is ook een overtuigd gelovige, evangelicaal zelfs. Oorspronkelijk was Fransen creationist: hij dacht dat het geloof dat God de wereld in zes dagen geschapen had de enige manier was om een goede gelovig te zijn. Dat was uiteraard niet zonder problemen, want de biologie vandaag de dag is volledig op de evolutietheorie gebaseerd. Voor Fransen ontstond derhalve een existentieel probleem: hoe kun je de wetenschap serieus nemen zonder je geloof te verliezen? Dit boek is tegelijkertijd een verslag en de uitkomst van die worsteling. Is het boek Fransens definitieve antwoord op de vraag hoe geloof en wetenschap zich tot elkaar verhouden? Ik denk het niet – ik hoop het niet. Want zoals ik later nog zal laten zien, zitten er een aantal inconsistenties in het boek die toch weer hele sterke spanningen oproepen.

Het boek is expliciet gericht aan creationisten en andere orthodoxe gelovigen die moeite hebben met de evolutietheorie. Tegelijkertijd geeft het ook een kijkje in de keuken van het creationisme. En dan bedoel ik niet het “naïeve” creationisme van veel gewone orthodoxe gelovigen, maar het creationisme dat hele theorieën heeft verzonnen om de wetenschappelijke gegevens te rijmen met een letterlijke Bijbellezing. Zo bespreekt Fransen jongeaardecreationisme, progressief creationisme en de hiaattheorie en bespreekt hij op hoofdlijnen de kritiek die creationisten hebben op de wetenschappelijke gegevens.

Ik geef toe dat dit hoofdstuk (hoofdstuk 4) voor mij niets minder dan als science fiction las. Ik viel van de ene verbazing in de andere. Want creationisten staan zich vaak voor op hun open-mindedness, en geven hoog op van logica en van feiten. Maar creationisme bestaat uit constructie op constructie, staat bol van drogredenen, verdraaiingen en onzinnige claims. Je kunt dit positief duiden door een lofzang te geven op de creativiteit van de menselijke geest. Maar ik kan niet anders dan concluderen dat creationisten grote oogkleppen ophebben en letterlijk in hun eigen parallelle universum leven. Fransen maakt briljant duidelijk hoe groot de cognitieve dissonantie bij creationisten is, dat ze hun eigen discours creëren, inclusief eigen logische wetten die de innerlijke consistenties moeten verdoezelen.

Maar let op: dit is mijn duiding die mijn houding jegens creationisme duidelijk maakt. Fransen daarentegen is uitgesproken diplomatiek. Tussen de regels door wordt duidelijk dat bij Fransen het doek is gevallen en dat de grote creationistische Tovenaar van Oz ontmaskerd is. Creationisme is menselijke constructie. Maar Fransen blijft zijn doelgroep in het oog houden, is zich bewust van de existentiële worsteling die evolutie voor deze groep gelovigen met zich meebrengt, schrijft met respect en inlevingsvermogen, geeft zijn eigen twijfels toe en blijft op alle fronten vriendelijk en hoffelijk. Dit maakt het boek buitengewoon sympathiek.............
Lees verder...


6. Sophie - februari 2011 - www.sophieonline.nl

Gevormd uit sterrenstof

Recensie door Marnix Medema

Een schrikwekkend boek, hebben sommige mensen het al genoemd. En voor veel christenen is het dat in zekere zin ook, want René Fransen bespreekt in dit boek met open vizier een onderwerp dat erg gevoelig ligt in christelijke kring: evolutie. Fransen, van huis uit wetenschapsjournalist, bespreekt recente ontwikkelingen in de astronomie/kosmologie, geologie en biologie, met het uitgangspunt dat de wetenschap doorgaans een betrouwbare bron van kennis over de schepping is. Volgens hem betekent dit dat het ontstaansproces van de aarde en van het leven door geleidelijke processen, zoals door geologen en evolutiebiologen beschreven wordt, over het algemeen zeer duidelijk uit de schepping zelf blijkt.

Fransen laat echter ook zien dat de natuurwetenschap zijn beperkingen heeft, en geen zeggenschap heeft over metafysische of levensbeschouwelijke vraagstukken: uit evolutie kan men geenszins een atheïstische levensvisie afleiden, zoals mensen als Richard Dawkins zo graag willen doen geloven. Een conflict tussen Bijbel en wetenschap is onnodig en ongewenst, en de beste visie komt volgens Fransen tot stand als er naar harmonie gezocht wordt........ 
Lees verder...


5. Nader Bekeken - december 2010

Gevormd uit sterrenstof

Recensie door S.M. Alserda

Om dit boek te gaan lezen moest ik een aarzeling overwinnen. Omdat ik bang was, door dit boek te worden meegenomen, en uit te komen waar ik misschien helemaal niet uit zou willen komen. Hiervoor ook gewaarschuwd in een recensie van dit boek door drs. Gijsbert van den Brink in het ND (13 maart 2009).

Het boek heeft mij van begin tot eind geboeid. In kort bestek geeft het veel interessante informatie over verschillende terreinen van wetenschap: sterrenkunde, biologie en geologie. De verbindende schakel is steeds: de evolutiegedachte. De auteur weet een en ander ook voor een leek als ik helder uiteen te zetten. Ik probeer dit in het kort weer te geven.

Sterrenkunde
Via een eenvoudige driehoeksmeting (zoals landmeters hanteren) lukte het begin vorige eeuw om de afstand van sterren tot de aarde te meten. Die afstand bleek zo enorm groot, dat die wordt uitgedrukt in `lichtjaren': de afstand die het licht in een jaar tijd kan overbruggen. Het blijkt dat het bij sommige sterren gaat om een afstand van miljarden lichtjaren. Het licht van zo'n ster is dus zoveel miljard jaar geleden vertrokken voor het de aarde bereikte en hier zichtbaar werd. Dat wijst er dus op, dat het universum al circa 13 miljard jaren oud moet zijn. De zon en de aarde zijn dan circa 4,5 miljard jaren oud. De auteur formuleert voorzichtig: `dit lijkt te suggereren ...' en vergelijkbare uitdrukkingen. Het is een conclusie op grond van bepaalde metingen en berekeningen. En op grond van bepaalde aannames, bijvoorbeeld dat de lichtsnelheid altijd en overal dezelfde is geweest. Een l00% hard bewijs is het niet. De mogelijkheid dat God een ster geschapen kan hebben, compleet met een uitstraling tot aan de aarde, is op zichzelf niet te ontkennen. Maar een feit is dat in de vorige eeuw (1987) een nieuwe ster zichtbaar werd. Meting wees uit dat van die ster de afstand tot de aarde 163 duizend lichtjaren bedraagt. Van die ster was de uitstraling dan in elk geval niet compleet op weg...

Het oerknalmodel is gebaseerd op resultaten van onderzoek naar kernfusieprocessen binnenin sterren. De auteur noteert wel dat hier nog van veel onvolledigheden en aannames sprake is (p. 117v). Maar nieuwe resultaten van onderzoek zijn bevestigend en maken het oerknalmodel steeds waarschijnlijker. De titel van het boek verraadt al waar de auteur zelf staat: alles is ontstaan uit `sterrenstof' (p. 49)!

Biologie
Dit is de tak van wetenschap waarmee iemand als Darwin zich beziggehouden heeft.
Biologen gaan er in meerderheid van uit, dat leven op aarde meer dan 3 miljard jaar geleden spontaan is ontstaan. Daar hebben ze duidelijke aanwijzingen voor gevonden.
Van bomen bijvoorbeeld kan de leeftijd worden bepaald aan de hand van jaarringen. De oudste gevonden eik blijkt zo circa 12.000 jaar oud te zijn (stamt dus uit het einde van de ijstijd).

Ook ijslagen kennen zoiets als jaarringen. Daaruit blijken leeftijden van 100.000 (Groenland) en 750.000 jaren (Zuidpool). Wel gaat het hier meer dan bij bomen om schattingen.
Verder ontdekte de biologie allerlei genetische verwantschap tussen verschillende diersoorten. Vooral sinds DNA-structuren ontrafeld werden. Dat wijst op een geleidelijke ontwikkeling van de ene soort uit de andere, via (toevallige) mutaties en natuurlijke selectie. Nu ontkent vrijwel niemand dat er binnen bepaalde soorten variatie bestaat. Er zijn bijvoorbeeld vele hondenrassen, die toch allemaal tot de soort 'hond' behoren. Maar zouden we ook de verschillende soorten als variaties kunnen beschouwen? Zodat de ene soort uit de andere ontstaan is? Natuurlijk is het mogelijk dat die verschillende soorten altijd naast elkaar bestaan hebben en gelijktijdig geschapen zijn. Ware het niet dat geologisch onderzoek iets anders uitwees... De auteur noteert wel dat er nog steeds geen goede verklaring gevonden is voor het ontstaan van het eerste leven op aarde, in de weg van evolutie (p. 119).

Geologie
Hierbij gaat het om het onderzoeken van verschillende aardlagen en het meten van de ouderdom ervan en van wat zich in die aardlagen bevindt.
Ook hier geldt: geen enkele meetmethode is 100% betrouwbaar. Maar als verschillende meetmethoden tot dezelfde uitkomst leiden... En als die uitkomst bevestigt wat ook in de sterrenkunde is gevonden: dat de aarde circa 4,5 miljard jaren oud is…
In die verschillende aardlagen zijn ook versteende resten van dierlijk leven aangetroffen (fossielen). En de volgorde laat een duidelijke lijn zien: ontwikkeling van eenvoudige tot meer complexe organismen. Want de dieren in de jongste aardlagen zijn het meest complex en lijken het meest op de dieren die we nu nog kennen.
Hiaten, die er waren (en nog zijn), worden steeds meer ingevuld door nieuwe ontdekkingen.

Conclusie: er zijn zoveel aanwijzingen/gegevens die wijzen in de richting van geleidelijke evolutie, via processen van miljoenen jaren, dat deze evolutiegedachte langzamerhand zeer sterke papieren heeft. Toch blijft het mogelijk dat één ontdekking de hele theorie omver haalt (p. 114,133,160).

Bijbel en geloof
De tweede helft van het boek houdt zich bezig met de mogelijke consequenties voor de theologie: klopt dit wel met wat de Bijbel (m.n. de eerste hoofdstukken van Genesis) ons leert over de schepping en over God als Schepper? Als je Genesis leest als een feitelijk verslag (geschiedenis), bestaat er een ernstig conflict tussen Bijbel en wetenschap (p. 167).
Er zijn verschillende pogingen gedaan door christelijke wetenschappers om een alternatief te ontwikkelen, omdat men de resultaten duidelijk in strijd acht met de Bijbel:
- jongeaardecreationisten,
- oudeaardecreationisten,
- intelligentontwerpaanhangers.

Deze alternatieven worden in dit boek besproken en, hoewel ze niet onmogelijk geacht moeten worden, is de auteur toch van oordeel dat ze onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd zijn om als redelijk alternatief te kunnen dienen. Daarom wordt ten slotte de vraag gesteld of de Bijbel echt wel in tegenspraak is met de resultaten van de wetenschap (of andersom). Moeten we de Bijbel misschien op een andere manier lezen? Bij de tekst van
Genesis 1 - 3 zijn direct al allerlei vragen te stellen (p. 168v). Vandaar dat deze vraag uiteindelijk bevestigend wordt beantwoord. Daarbij beroept de auteur zich – al dan niet terecht – onder andere op Augustinus, Calvijn en J. Douma (p.179-185).

De auteur doet aan het eind twee dingen:
- een lijst van onopgeefbare geloofswaarheden uit Genesis 1-3 (p. 260);
- een overzicht van hoe we de Bijbel op een nieuwe manier zouden kunnen lezen.

Dat laatste even op een rijtje:
- Genesis hoeft geen feitelijk, historisch verslag te zijn.
- God kan ook geschapen hebben via een proces van evolutie van miljoenen jaren, dat door Hem in de juiste richting gestuurd wordt.
- Door de zonde is de dood in de wereld gekomen: dat geldt alleen voor de mens; en dan nog alleen voor de gééstelijke dood. Want we lezen nergens, dat roofdieren en parasieten na de zondeval geschapen zijn. Dus al vóór de zondeval was de dood in de wereld. Dus is er ruimte voor fossielen en voor de wrede processen (recht van de sterkste) die bij de evolutie een rol spelen (p. 277).
- Ook Adam en Eva moeten in het paradijs pijn gekend hebben. En als er niemand zou sterven, zou ongelimiteerde voortplanting voor enorme problemen zorgen (p. 281).
– Wellicht was het ingewikkelde evolutieproces (onder Gods leiding) nodig om de mens z'n belangrijkste eigenschap te geven: vrijheid. Een noodzakelijke voorbereiding op een leven
met God en als beeld van God.
– Wellicht leefden er in de tijd van Adam en Eva al véél mensen, maar heeft God hen uitgekozen en apart gezet op een speciaal beschermde plek: hof van Eden (p. 286). Daar waren ze de eersten van een nieuwe klasse mensen: homo divinus (beeld van God).
- De zonde van Adam kan ook zonder bloedband op de hele mensheid zijn overgegaan (p. 287). Handelingen 17:26 is dan bedoeld als een soort gelijkenis (p. 288).
- Na de zondeval werden Adam en Eva teruggezet in de wereld (p. 289).

Dit vraagt om een heel nieuwe lezing van Genesis 1 - 3. De boodschap blijft volgens de auteur echter overeind: God is de Schepper en Hij is goed.

Beoordeling
Met dat laatste begeeft de auteur zich dus nadrukkelijk op theologisch terrein. En hoewel ik het hele boek door wel voelde aankomen, waarop het in dit boek zou uitdraaien, ben ik toch geschrokken van het laatste hoofdstuk. De consequenties zijn zelfs groter dan mijns inziens op grond van de in dit boek naar voren gebrachte wetenschappelijke gegevens noodzakelijk zou zijn. Ik acht ze voor een belangrijk deel ook niet te verenigen met eerlijke bijbeluitleg. Wellicht zijn de gevolgen ook groter dan de auteur heeft overzien!

De auteur zegt zelf dat het in de meeste gevallen gaat om een mogelijke interpretatie van door de wetenschap gevonden resultaten (p. 120v). Tegelijk gaat het ook om interpretatie van bijbelteksten. Toch is het (voorlopig) de laatste interpretatie die moet worden herzien.

De fout, die de auteur volgens mij maakt, is dat hij alle waarschijnlijkheden bij elkaar optelt en zich daardoor heeft laten overtuigen. Uiteindelijk zijn het voor hem feiten geworden. En alternatieven (van bijvoorbeeld creationistische kant) krijgen nauwelijks een kans (zie de website www.scheppingofevolutie.nl). Hoewel de auteur ook herhaaldelijk betoogt dat wetenschap en theologie (d.w.z. de Bijbel) zich op heel verschillende niveaus met de door God geschapen werkelijkheid bezighouden, wil hij beide toch aan elkaar verbinden en wel op zodanige wijze dat het één het ander beïnvloedt. Maar uiteindelijk is die beïnvloeding toch wel erg eenzijdig: de wetenschap beïnvloedt het lezen van de Bijbel, en niet andersom! Dit is in strijd met wat hijzelf schrijft: het geloof mag niet van de wetenschap afhankelijk worden.

Ik moet eerlijk bekennen dat ik geen antwoord weet op veel wat de auteur vanuit de wetenschap naar voren brengt. Dat is niet mijn vak en ik kan dat niet narekenen. Dit boek geeft de indruk dat een wetenschapper moeilijk anders kan dan te werken met deze resultaten van wetenschappelijk onderzoek. Maar er zijn toch ook zowel christelijke als niet-christelijke wetenschappers, die daar anders over denken. Ik ben het met de auteur eens dat christenen zich niet uit de wetenschap moeten terugtrekken. Integendeel! Maar zowel christen als niet-christen moet dan toch zich bewust blijven van de voorlopigheid van veel wetenschappelijke resultaten. Daarom is het op z'n minst voorbarig om onze manier van lezen van de Bijbel (drastisch) aan te passen. Er is immers nog steeds geen keihard bewijs (p. 133,235). 

Vanuit wetenschappelijk oogpunt geldt echter hetzelfde voor alternatieven die dichter bij de Bijbel blijven. Daarom zou ik zeggen: laat - wanneer de conclusies van Bijbel en wetenschap verschillen - beide voorlopig maar gewoon naast elkaar staan. Als het tijd is (d.w.z. wanneer wetenschappelijke resultaten 100% vaststaan), komen we er vanzelf wel achter dat we de Bijbel soms (misschien) gelezen hebben door de bril van ons eigen wereldbeeld (vgl. de copernicaanse omwenteling, p. 256). Dat is in principe mogelijk: net zo goed als wetenschappers de plank mis kunnen slaan bij het interpreteren van onderzoeksresultaten, kunnen wij ons vergissen bij onze uitleg van de Bijbel.

Overigens schrijft de auteur zelf ook herhaaldelijk dat het bij de evolutietheorie per definitie gaat om processen die niet waar te nemen zijn:
- de processen verlopen daarvoor te langzaam (p. 122),
- een groot deel van die processen ligt in een te ver verleden (p. 235),
- de processen zijn niet herhaalbaar (p. 133).
Daarom acht bij het niet waarschijnlijk dat het ooit tot l00% zekerheid komt.

Omgaan met de Bijbel
De wetenschap dwingt ons dus wel om de Bijbel nog zorgvuldiger te lezen. Maar we zullen de Bijbel toch zó moeten blijven lezen als hij zichzelf uitlegt. Wanneer buitenbijbelse gegevens de uitleg van de Bijbel gaan bepalen, gaan we een hachelijke weg op: dan heeft God niet zelf meer het laatste woord! De beste regel is mijns inziens nog altijd: lees de Bijbel letterlijk, tenzij uit de Bijbel zelf blijkt dat het niet letterlijk bedoeld is. Dat de auteur van dit boek hier grenzen overschrijdt, staat voor mij vast. Laat ik een paar punten noemen.

De auteur poneert dat er los van alle wetenschap al vragen te stellen zijn bij de bijbeltekst (d.w.z. Gen. 1 - 3) zelf. Maar voor een deel acht ik het geen echte vragen. En verder doet de auteur geen enkele poging om vanuit de Bijbel een antwoord op die vragen te vinden. Het lijkt alsof hij eigenlijk wel blij is met die vragen: dat leidt namelijk tot de (welkome?) conclusie dat Genesis 1 - 3 niet letterlijk bedoeld kan zijn.

Om een voorbeeld te geven: hoe kan het, dat God al op de eerste scheppingsdag het licht schept en de afwisseling van dag en nacht, terwijl pas op de vierde scheppingsdag de lichtdragers (zon, maan en sterren) geschapen worden? De conclusie komt veel te snel: dit kan dus niet letterlijk bedoeld zijn. Maar waarom zou God van deze lichtdragers afhankelijk zijn? Hij is immers zelf het Licht (bijv. 1 Joh. 1:5). En in Openbaring lezen we dat op de nieuwe aarde het licht van zon, maan en sterren niet meer nodig is, omdat God (Christus) zelf het Licht is (21:23; 22:5). Met het plaatsen van lichtdragers op de vierde scheppingsdag maakt God de afwisseling van dag en nacht tot een wetmatigheid die door mensen bestudeerd kan worden (zoals alle ‘natuurwetten').

In Genesis 1 en 2 lezen we hoe God alle dieren `naar hun aard' geschapen heeft. Dat duidt er mijns inziens duidelijk op dat God bewust de verschillende soorten geschapen heeft. En voor zover ik weet, is nog steeds niet wetenschappelijk bewezen dat via evolutie (die er in een bepaald opzicht zeker is) en selectie ook nieuwe sóórten zijn ontstaan (wel: variaties binnen een soort).

En dan de schepping van de mens. Dat is een hoofdstuk apart. De Bijbel leert ons nadrukkelijk dat God heel persoonlijk met de schepping van de mens bezig is geweest: man en vrouw, geschapen naar zijn eigen beeld. Dat was een aparte scheppingsdaad van God. Dat maakt de mens principieel anders dan elk ander wezen op aarde. Maar dat is totaal iets anders dan de evolutietheorie ons wil doen geloven en waarin dit boek meegaat: dat mensen en apen van gemeenschappelijke voorouders afstammen. In de Bijbel vormen Adam en Eva het eerste mensenpaar, uit hen zijn alle mensen voortgekomen (bijv. Hand. 17:26).

Op de vraag of Adam en Eva in het paradijs al pijn konden hebben (volgens de auteur onvermijdelijk), zou ik willen antwoorden met een tegenvraag: kan de mens op de nieuwe aarde dan ook niet zonder pijn?

En ten slotte de vraag of er al vóór de zondeval sprake kan zijn van 'dood'. In de Bijbel is de dood nadrukkelijk gevolg van de zonde (Gen. 2 en 3; Rom. 5:12). Vanuit de Bijbel is er geen reden om dat te beperken tot de mens alleen. Sinds de zondeval ligt heel de schepping onder de vloek (Gen. 3; Rom. 8). En dat zal gevolgen gehad hebben! Niet alleen voor de aard van de mens, maar ook voor de aard van het dier. Daarom ben ik er niet van overtuigd dat er vóór de zondeval al vleeseters als bijvoorbeeld de leeuw bestonden. De mens krijgt pas láter toestemming om vlees te eten (Gen. 9:3). 

Wat vandaag in de natuur (en in het door wetenschappers verdedigde evolutieproces) zichtbaar is, namelijk de harde en ook wrede strijd om het bestaan, lijkt mij niet te passen bij het refrein van Genesis 1: en God zag, dat het góed was. Het is niet voor niets, dat de Bijbel duidelijk zegt dat op de nieuwe aarde geen dood meer zal zijn, óók niet in de dierenwereld (vgl. Jes. 11 en 65)! Het argument: we lezen nergens dat God pas ná de zondeval vleeseters geschapen heeft, zou ik willen beantwoorden met het tegenargument: we lezen ook nergens dat er al vóór de zondeval iets als dood bestond. Ook hier moeten we dus oppassen onze uitleg van de Bijbel door buitenbijbelse argumenten te laten bepalen.

Onze conclusie mag wel zijn dat de schepping van alles voor een groot deel Gods geheim blijft. Voor ons als mensen niet na te speuren. Met als doel, dat we God alle eer blijven geven!


4. Ellips - mei 2009 - Meer recensies in deze Ellips...

Recensie door Dr. H. Bos

De uitgever voorzag - niet ten onrechte - dat dit boek stof zou doen opwaaien. Derhalve eindigt het boek met een nawoord van de uitgever: 'Dit is misschien een schrikwekkend boek…’

Dat is het zeker; het in heldere taal geschreven boek bezorgde mij uiteindelijk een kater. Fransen heeft een redelijke hoeveelheid literatuur rondom het thema schepping en/of evolutie doorgespit, deels ook uit creationistische bron, waar hij overigens erg selectief uit citeert. Dat hij daarbij het standaardwerk Evolution: Ein kritischer Lehrbuch van Junkex & Scherer (6e druk, 2006) negeerde, is onbegrijpelijk; het zou hem voor enkele uitglijders behoed hebben. In de eerste negen hoofdstukken boeide Fransen mij zeker, ook waar ik het veelvuldig met hem oneens was; zijn schrijfstijl is aangenaam en persoonlijk. De afknapper kwam in het laatste hoofdstuk, waar hij probeert om de zondeval van de eerste Adam en de verzoening door de laatste Adam te harmoniëren binnen de idee van theïstische evolutie. De gekunstelde exegese die hij daarbij voorstelt, kan onbedoeld slechts suggereren dat wij toch kunstig gevonden verdichtsels zijn nagevolgd (2Pt1:16).

Een element in de bewijsvoering van Fransen is het voorkomen van HERV's (humaan endogeen retrovirus) in het genoom van mensen en apen op overeenkomstige plaatsen (p. 93). Virussen infecteren mensen en kunnen blijvend in het genoom van de mens terechtkomen als zij geslachtscellen infecteren. De huidige functie van HERV's is uiteenlopend, van regulatie van genen tot ziekten (kanker, onvruchtbaarheid). De conclusie dat overeenkomstige HERV's bij mens en chimpansee alleen verklaard kunnen worden door een gemeenschappelijke voorouder (p. 94) is onterecht. Het is zeer wel mogelijk dat zowel mensen als chimpansees onafhankelijk van elkaar door hetzelfde virus zijn geïnfecteerd. Verder zijn er aanwijzingen dat de plaats van de insertie niet willekeurig is, maar bepaald wordt door de gastheer. Dat het voor de mens en chimpansee heeft geresulteerd in hetzelfde litteken op dezelfde plaats is ook weer niet zo verwonderlijk, aangezien het genoom van de mens en dat van de chimpansee op elkaar lijken. Misschien hebben HERV's in de oorspronkelijke scheppingsorde wel een heel andere rol gespeeld. Zo is het bekend dat bij bepaalde schapenrassen virussen een voorwaardelijke rol spelen bij de ontwikkeling van de placenta. De vraag naar de betekenis van HERV's ligt bij de huidige stand van zaken dus nog helemaal open.

Dat Fransen bij de vraag naar de oorsprong (p. 96) van de eerste eencellige nog poogt een naturalistische verklaring te geven, is ronduit naïef en getuigt van zijn grote geloof in de mogelijkheden van het wetenschappelijk experiment en het toeval. Feitelijk is het vraagstuk van de abiogenese een wolkenkrabber in vergelijking met de zandkorrel van het evolutievraagstuk. Hoofdstuk 10 van Evolution laat zien dat de kans op abiogenese volkomen nul is en dat alle gedane experimenten juist die visie onderbouwen. Dat Fransen (p. 100) het boek Evolutie, triomf van een idee van Carl Zimmer aanbeveelt om kennis te maken met de evolutietheorie, begrijp ik maar ten dele: ik heb in dit speculatieve boek werkelijk nergens in die 350 pagina's een bewijs voor macro-evolutie kunnen ontdekken.

De kritiek die Fransen heeft op het wetenschappelijk gehalte van het Vijfde Europese Creationistische Congres (1995) is terecht. Echter, er werd daar ook goed Zweeds onderzoek gepresenteerd dat heel origineel en relevant is, mits je gelooft dat een wereldwijde zondvloed realiteit is geweest. De zondvloed is feitelijk afwezig in Fransens betoog (p. 178) en dat is ernstig. Als er een zondvloed was, dan moet die gigantische geologische sporen hebben nagelaten. Jezus geloofde wel in de zondvloed, getuige zijn uitspraak in Mt24:37-39 resp. Lc17:26-27. De kritiek van Fransen (p. 133) op het RATS-onderzoek is te gemakkelijk. De in diamant gevonden C14 toont aan dat deze diamant van recente datum moet zijn; Fransen negeert deze unieke vondst gewoon. Het is te gemakkelijk om de steeds in aardolie en steenkool gevonden C14 af te doen als 'contaminatie'. En als men C14-houdende antraciet als 'blanco' gebruikt in Groningen (p. 132), dan is het natuurlijk niet vreemd dat men daar via zo'n systematische fout geen C14 in steenkool meet. Jammer dat Fransen hier niet refereert aan ‘Toevallig niet’ van Evert van der Heide (2004).

Hoofdstuk 7 was aangenaam om te lezen, maar de conclusie is absurd dat 'creationisten hard, wetenschappelijk bewijs voor het bestaan van God verlangen'. Dat zo'n verlangen volkomen onjuist is, zal vrijwel iedere creationist met Fransen beamen. Het betoog dat Fransen vervolgens daartegen voert, is dus niet aan creationisten besteed, ook niet aan Gentry (p. 212), hooguit aan atheïsten.

Fransen neemt kritiekloos (p. 263) de Kuypercitaten van Jan Lever over, die in ‘En God beschikte een worm’ andermaal de historie geweld aan deed in zijn bewering dat Kuyper de evolutietheorie zou hebben aangehangen. De nu weer door Fransen geciteerde uitspraak van Kuyper kan ik geheel voor mijn rekening nemen, maar daarmee ben ik nog geen aanhanger van Darwin. Dat Kuyper absoluut een antidarwinist was moge blijken uit de volgende citaten uit zijn rectoraatsrede: 'De Evolutie is een nieuw uitgedacht stelsel, een nieuw geijkte leer, een nieuw gevormd dogma, een nieuw opgekomen geloof, dat zich, heel ons leven omvattend en beheerschend, regelrecht tegen het Christelijk geloof overstelt, en niet dan op den puinhoop van onze Christelijke Belijdenis zijn tempel stichten kan'. 'We moeten ons er niet tegen verdedigen, maar het aanvallen'. 'Tegenover de besteklooze mechaniek der Evolutie stellen wij het geloof in dat Eeuwige Wezen, dat "alle ding gewerkt heeft en nog werkt naar den raad zijns willens". "Thans achtte ik het mijn roeping, tegen het nog doodelijker gevaar dat in de Evolutie schuilt, mijn stem te verheffen'.
Fransen rukt dus ten nutte van zijn betoog de uitspraak van Kuyper geheel uit zijn verband; zo doet men niet in de wetenschap!

Waar gaat het mis in Fransens boek? Hij ontkracht de Schrift teneinde de wetenschappelijke 'feiten' te kunnen inpassen. Fransen plaatst de dood vóór de zondeval en stelt dan (in navolging van D.R. Falk in Coming to Peace with Science) dat Gn2:17 ('want ten dage, dat gij daarvan eet, zult gij voorzeker sterven') en Rm5:12 geestelijk gelezen moet worden ('gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan'), zodat de mens hier alleen geestelijk sterft (p. 277). Binnen die logica zou de opstanding van Christus, als de laatste Adam (1 Ko15:22, 'Christus is opgewekt uit de doden') ook geestelijk moeten worden opgevat en dat zou alles zinloos maken (vs14). Fransen misleest (p. 277) Gn2:17 door op te merken 'dat het sterven overduidelijk niet is gebeurd'. Echter, ze stierven wel degelijk als gevolg van hun zondeval; in Gn2:17 staat niet dat ze onmiddellijk dood zouden neervallen. Dat zou ook het einde van het menselijke geslacht betekend hebben, maar God had in zijn liefde nog een groot plan via de laatste Adam, Christus. Fransen weet het beter dan Paulus (Hd17:26, 'Hij heeft uit één enkele het gehele menselijke geslacht gemaakt om op de ganse oppervlakte der aarde te wonen') door te stellen dat Adam en Eva tijdgenoten waren van vele (sterfelijke) medemensen (p. 285). Adam en Eva waren volgens Fransen slechts gewone mensen, 'apart gezet uit de vroege steentijdcultuur' (p. 286). De zonde van Adam ging over op de reeds bestaande overige mensheid.

De Schrift moet vooral in dit slothoofdstuk bij Fransen volop wijken voor het verstand en de wetenschap. Dat straks de leeuw stro zal eten als het rund (Js65:25), daarop valt volgens Fransen wel het een en ander af te dingen (p. 276). Voor Fransen leed en stierf de mens al vóór de zondeval omdat een paradijs zonder pijn en dood volgens hem 'merkwaardig' is. Zullen we straks op de nieuwe aarde dus ook lijden? In ieder geval staat zijn visie haaks op: 'Zie, het was zeer goed' (Gnl:31).

Fransen bewijst wel dat zijn evolutionistisch model onherroepelijk botst met de Schrift. De oplossing is dan: de Schrift naar je eigen hand zetten tot het klopt in jouw wetenschappelijke wereldbeeld. En dat doet Fransen.

Waar ging het bij hem fout? In ieder geval op zijn eureka-moment (p. 248) dat Falk het bij het rechte eind moest hebben. Falk had geen gelijk; Falk is een dwaallicht op wiens boek veel is af te dingen. Datzelfde geldt voor Sterrenstof, dat veel overeenkomsten vertoont met Coming to Peace with Science. Wat Fransen onbedoeld, maar wel feitelijk doet, is de lezer stimuleren zijn geloof in de Schrift om te zetten in geloof in de wetenschap. Ik wijs dat af, primair als christen, maar ook als natuurwetenschapper. Fransen schrijft overzichtelijk, gestructureerd en veelal helder, maar overtuigt niet in de gekunstelde oplossingen die hij voorstelt.


3. Uitdaging - april 2009 - www.uitdaging.nl

Christen met een passie voor wetenschap

De discussie rondom de evolutieleer is in alle hevigheid losgebarsten. Via het Darwinjaar en een aantal opvallende uitspraken van EO-presentator Andries Knevel staan sommige christenen op hun achterste benen. Anderen durven juist nu te laten zien dat ook zij afwijkende gedachten hebben over het begin van de aarde. Christelijk bioloog René Fransen legt in dit boek de verschillende meningen op interessante wijze naast elkaar.

Recensie door Rianne van der Molen

Het uitbrengen van Gevormd uit sterrenstof ging niet zonder slag of stoot, valt in het nawoord van de uitgever te lezen. Henk Medema vraagt zichzelf daarin af of de discussie rondom de evolutieleer een hellend vlak is. Het Veritasprincipe gaf voor hem uiteindelijk de doorslag om met het project verder te gaan. Veritas is een denkbeweging, verwoord in een boek van Kelly Monroe Kuilberg, waarbij het onderzoeken van de waarheid centraal staat. Gedachte daarachter is dat alle waarheid van God is en dat we om die reden alles tot onderwerp van onze gedachten mogen maken.

Het is een dappere keuze van de uitgever om dit boek op de markt te zetten. Want hoewel René Fransen vanuit zijn persoonlijke christelijke overtuiging schrijft, belicht hij alle stromingen van verschillende kanten. Zijn eigen geloof speelt daarin een rol, maar niet door alles heen. In dit boek presenteert hij eerder de verschillende manieren waarop naar het begin van de aarde gekeken wordt. In zijn verhaal probeert hij wetenschap begrijpelijk te maken
voor iedereen zonder universiteitsdiploma.

Daar slaagt hij goed in. Fransen heeft een losse schrijfstijl, gebruikt veel voorbeelden en duikt flink de diepte in. Al moet de lezer, om het vol te kunnen houden, wel een bovengemiddelde interesse hebben in de wetenschap én bereid zijn te luisteren naar afwijkende meningen. Fransen wil namelijk laten zien dat wetenschap en geloof elkaar niet altijd hoeven te bijten. Hij doet dat door uitgebreid stil te staan bij de meningen die er op het gebied van schepping en evolutie zijn. Van de jonge aarde creationisten die geloven dat de aarde maximaal 10.000 jaar oud is tot het progressief creationisme dat een veel oudere aarde accepteert en daarmee de scheppingsdagen niet als periodes van 24 uur ziet. Uiteraard komt Intelligent Design ook ruim aan de orde.

Daartegenover, of eigenlijk daarnaast, staan de meningen van atheïstische wetenschappers door de jaren heen. De evolutietheorie van Darwin speelt uiteraard een belangrijke rol. De ruimte die Fransen neemt om die verschillende gedachten uit te leggen en onderzoeken inzichtelijk te maken, werkt goed. Hij zet alles helder op een rijtje.
Bovendien heeft hij zijn passie voor wetenschap aanstekelijk op papier weten te zetten. Hij is enthousiast, hij prikkelt én wil zijn lezer aan het denken zetten. Ze krijgen van hem gereedschap om verder onderzoek te doen en het gesprek aan te gaan met anderen. Het liefst natuurlijk via een liefdevolle discussie met ruimte voor afwijkende meningen. En waarin de waarheid gezocht mag worden, omdat God ons de mogelijkheid tot onderzoeken heeft gegeven.

Uitdaging - april 2009 - www.uitdaging.nl

Henk Medema schuift op naar evolutionisme

VAASSEN - Na andere bekende reformatorische en evangelicale voormannen als Andries Knevel en Willem Ouweneel heeft nu ook uitgever en publicist Henk Medema zich geschaard bij de theïstische evolutionisten.

Dat blijkt uit het nawoord in het door hem uitgegeven boek Gevormd uit Sterrenstof, waarin de mogelijkheid van een door de Schepper gestuurd evolutieproces wordt verdedigd. Medema, die evenals Ouweneel ooit aan de wieg stond van de (onder meer ter verdediging van het creationisme opgerichte) Evangelische Hogeschool, zegt te beseffen dat het boek gelovigen schrik kan aanjagen. Dat was volgens hem al te merken bij de voorbereiding van de uitgave.

Over zijn persoonlijke opschuiven naar een soort evolutionistisch scheppingsgeloof schrijft hij: "Lange tijd heb ik veel gezien in de strakke omkadering van een vorm van creationisme." Medema - gewezen redacteur van het voormalige (sterk creationistische) blad Bijbel en Wetenschap, tegenwoordig ELLIPS genaamd - zegt zich wel zorgen te hebben gemaakt over een mogelijk hellend vlak, waarop de standpunten van bijvoorbeeld Knevel zich via Intelligent Design naar theïstisch evolutionisme ontwikkelden. Maar de eerlijkheid omvat volgens hem 'zowel het onder ogen zien van wetenschappelijke data als het onder ogen zien van de feilbaarheid van alle vormen van uitleg van de eerste hoofdstukken van Genesis'. Voor hem blijft overeind dat God de Schepper is, maar dat wetenschappers die van Hem getuigende schepping eerbiedig mogen onderzoeken. Volgens Medema hoeven de eerste hoofdstukken van Genesis niet in conflict te komen met wetenschappers. Al heeft hij bezwaar tegen evolutionisten die uit hun wetenschappelijk onderzoek argumenten voor ongeloof ten aanzien van God destilleren.


2. Nederlands Dagblad - 13 maart 2009 - www.nd.nl en www.geloofenwetenschap.nl

Te gevaarlijk voor creationisten

René Fransen is wetenschapsjournalist, en dat is een vak apart. Wetenschapsjournalisten moeten weten wat er in de wetenschap omgaat – en dan niet maar in een beperkt segment, maar als het even kan over de hele linie. Ze moeten het ook goed en precies weten, zonder zaken te versimpelen. Maar ze moeten hun kennis vervolgens wel zó doorgeven, dat een groot publiek hen kan volgen. Dat lijkt me een enorme klus. Hun opdracht is nauwelijks gemakkelijker dan die van theologen die geroepen worden de Bijbel uit te leggen, want de hedendaagse wetenschap is misschien nog wel ingewikkelder dan de Bijbel. 

Boekrecensie door Gijsbert van den Brink 

Maar Fransen verstaat zijn vak als geen ander. Stap voor stap doet hij tal van uiterst complexe thema’s en vraagstukken rondom schepping en of evolutie op een buitengewoon leesbare manier uit de doeken. Daarbij vermijdt hij elke neerbuigendheid naar welke richting of stroming dan ook, en blijft hij naar alle kanten fair en transparant.



Lekker winkelen zonder zorgen - Gratis verzending en retour


Gevormd uit sterrenstof is dan ook een verademing om te lezen te midden van het vele verbale geweld dat christenen en anderen rond dit thema gewend zijn over elkaar uit te storten. Het is alsof de schrijver er van begin tot eind op uit is om elk woord dat maar polariserend opgevat kan worden, te vermijden. Daarin is hij uitstekend geslaagd. Tegelijkertijd verstopt hij zich niet achter allerlei feitjes en objectieve weergaves, maar toont hij voortdurend zijn persoonlijke betrokkenheid. Hij wikt en weegt, maakt heldere keuzes, blijft voorzichtig in zijn oordelen – en laat je als lezer voortdurend meemaken waarom hij dat doet. 

Stap voor stap 
Fransen legt zijn kaarten van meet af aan open op tafel. Hij gelooft heilig in de God van de Bijbel, en dus ook in de Bijbel zelf en zijn boodschap als Gods Woord. Maar hij heeft tegelijk geen reden om het gangbare wetenschappelijk onderzoek te wantrouwen. Het is immers niet waar dat dat over de hele linie zou voortkomen uit antichristelijke motieven. De resultaten van dat gangbare onderzoek in kosmologie, geologie en biologie legt hij dan ook stap voor stap uit. 

Op een nuchtere manier vertelt Fransen waarom wetenschappers ertoe komen de leeftijd van het universum in te schatten op ongeveer 13,7 miljard jaar, en die van ons zonnestelsel op ongeveer 4,5 miljard. Hij verzwijgt niet dat er in de ontwikkeling van toetsbare hypothesen hieromheen nog ‘grote problemen’ (63) zijn. Het punt is echter dat men via verschillende dateringstechnieken die onafhankelijk zijn van elkaar, tot min of meer dezelfde resultaten komt. 

Dus als critici gelijk hebben dat een van de dateringsmethoden (de C-14-methode bijvoorbeeld) niet zou deugen, zijn er altijd nog de andere... Iets soortgelijks geldt ook voor de evolutietheorie. Deze heeft (nog) lang niet alle antwoorden, en dat mag haar aanhangers wel tot enige bescheidenheid nopen. Ze kan echter wel heel veel biologische verschijnselen op een ongekunstelde manier verklaren – sinds de ontdekking van DNA zelfs nog overtuigender dan ten tijde van Darwin. Deze ontdekking vormde een soort bevestiging van voorspellingen die volgden uit Darwins theorie. 

Daarna volgen aparte hoofdstukken over creationisme en intelligent design. Zonder een spoor van dédain geeft Fransen allerlei feitelijke informatie over de verschillende substromingen binnen het creationisme. Zijn conclusie is: op onderdelen doen creationisten goed werk, vooral in de (helaas zeldzame) gevallen waarin ze concrete hypothesen opstellen en toetsen. Ze slagen er daarbij ook in de vinger te leggen op zwakke plekken in de evolutietheorie. Maar het zijn er te weinig om de theorie als geheel in diskrediet te brengen. En vooral: creationisten slagen er almaar niet in een alternatief paradigma te ontwikkelen. Hun onderlinge verdeeldheid (bijvoorbeeld tussen jonge- en oudeaardecreationisten, maar er zijn nog meer soorten) maakt dat eigenlijk al duidelijk. ,,Er bestaat nauwelijks zoiets als een uitgewerkt creationistisch wetenschappelijk model’’ (113) – dat is de makke. Vandaar dat veel christenen, onder wie Fransen zelf, ervan uitgaan dat de aarde inderdaad ongeveer zo oud is als kosmologen en geologen (onafhankelijk van elkaar) denken; en ook dat het leven zich grotendeels langs evolutionaire lijnen ontwikkeld heeft. 

Moeilijke vragen
Dan wordt het natuurlijk spannend. Want hoe verhoudt een en ander zich nu tot Fransens christen-zijn? Hoe ziet hij de Bijbel? Nu, Fransen gaat de moeilijke vragen niet uit de weg. Hij blijkt bovendien ook goed ingewerkt in de theologische wetenschap, en een zorgvuldig Bijbellezer. Een vergelijking met andere scheppingsverhalen uit het oude Midden-Oosten leert hem, dat in Genesis 1 en 2 een boodschap verwoord wordt die daar radicaal tegenin gaat. Om deze boodschap – God is de Schepper van hemel en aarde – is het kennelijk begonnen. 

Is de beschrijving van de schepping als zodanig dan historisch onbetrouwbaar? Nee, dat gelooft Fransen niet. Maar hij wijst er wel op, dat een strikt letterlijke interpretatie op allerlei problemen stuit. Zo worden volgens Genesis 1 eerst de dieren geschapen en dan pas de mens; maar volgens Genesis 2 is het precies andersom (vgl. vs.19). Kennelijk zijn de Bijbelschrijvers minder geïnteresseerd in strikte chronologie dan moderne westerlingen. We moeten dus uitkijken dat we hun werk niet door zo’n modern westerse bril lezen – en dat is precies wat creationisten volgens Fransen doen. Ook de paradijsgeschiedenis lezen we vaak gekleurd. Nergens staat bijvoorbeeld dat Adam en Eva in het paradijs geschapen werden – integendeel, volgens Gen. 2:8 brengt God ze daar pas na hun schepping naartoe. Zo te merken gaat het om een bijzondere tuin, waarin harmonie heerste en waar de mens pas echt tot mens werd door de ontmoeting met God. Daar vindt dan echter ook de zondeval plaats. Fransen leest Genesis 3 dus zeker historisch. Alleen hij gelooft niet dat Adam en Eva de eerste mensen waren. Dan zou immers onduidelijk zijn waar Kaïn zijn vrouw vandaan haalde en waarom hij na de dood van Abel zo bang is dat hij op zijn zwerftocht over de aarde gedood zou worden (door wie eigenlijk – toch niet door zijn eigen ouders?). Bovendien past de paradijsgeschiedenis goed in de jonge steentijd, vanaf ongeveer 10.000 voor Christus. Maar toen leefden er al veel meer mensen of mensachtigen. Ook de dood was er toen al. 

Eén mensenpaar
Het zal duidelijk zijn dat hier wel het een en ander verschuift ten opzichte van de traditionele uitleg, en ook ten opzichte van bepaalde Bijbelteksten (bijv. Hand. 17:26). Fransen geeft ook toe dat zijn visie niet zonder problemen is, maar stelt terecht dat voor de traditionele opvatting hetzelfde geldt. 

Op dit punt had ik eerlijk gezegd wel graag gezien, dat hij zich wat langer bij zijn natuurwetenschappelijke leest gehouden had. Is het werkelijk onmogelijk dat Adam en Eva gewoon de eerste mensen zijn geweest – heeft de zogeheten monofylogenetische hypothese, volgens welke alle mensen van één mensenpaar afstammen, voorgoed afgedaan? Op die vraag gaat Fransen helaas niet in. Persoonlijk meen ik dat Bijbeluitleggers niet hooghartig moeten voorbijgaan aan wat in wetenschappelijk onderzoek min of meer is komen vast te staan. Er kan dus een moment aanbreken, waarop bestaande vormen van Bijbeluitleg in het licht daarvan herzien moeten worden. Maar men moet zoiets niet te snel doen, door elke theorie te willen verwerken die op enig moment de boventoon voert (dat christenen dus vaak een beetje achteraan komen, is helemaal niet zo gek en ook helemaal niet zo erg). Ik begrijp dat Fransen wil voorkomen dat we gewoon het volgende ‘gat’ opzoeken dat nog niet wetenschappelijk verklaard is (bijvoorbeeld het ontstaan van de mens, of van het leven) en dat dan aan een bijzonder werk van God toeschrijven. Voor je het weet moet je zo’n positie immers ook weer opgeven. Daarom zou het ,,goed zijn als het christendom een visie op de relatie tussen Schepper en schepping zou ontwikkelen die zo robuust is dat ze bestand is tegen de verdere voortgang van de wetenschap’’ (249). Fransen wijst er in dat verband op dat we God ook heel goed aan het werk kunnen zien in de gewone dingen, en daar dus niet per se bovennatuurlijke ingrepen voor nodig hebben. 

Toch behoort het mijns inziens tot het christelijk geloof dat het handelen van God werkelijk verschil maakt in de empirische werkelijkheid. Denk maar aan de opstanding van Christus. In de theologie komen we dus niet uit met het door Fransen (voor de andere wetenschappen?) aanvaarde methodisch naturalisme. Gods grote daden trekken hun sporen ook in de empirie. Juist dat lijkt me de strekking van de inzet van artikel 2 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis – het motto dat Fransen aan zijn boek meegeeft. Dat accent had in dit boek wel wat meer aangezet mogen worden. Zo blijft er genoeg over om over door te praten. Maar Fransen heeft ons wel een grote dienst bewezen door ons zo helder in te leiden in de dilemma’s waar christenen die de wetenschap serieus willen nemen voor staan. Jammer daarom dat het Reformatorisch Dagblad zijn boek onmiddellijk na de verschijning zo genadeloos wegschreef – al begrijp ik het ook weer wel: het is te goed geschreven, te ontwapenend en grosso modo overtuigend, en daarom te gevaarlijk voor wie wil vasthouden aan het creationisme. 


1 . Reformatorisch Dagblad - 18 februari 2009 - www.refdag.nl

Hoe Genesis te lezen

Boekrecensie door R. N. Jorritsma

De Bijbel vertelt ons waaróm God de wereld schiep, niet hóé Hij die schiep, zo luidt de kernboodschap van René Fransens ”Gevormd uit sterrenstof”. Het boek is de recentste in een lange serie pogingen aan te tonen dat er geen conflict bestaat tussen de Bijbel en theorieën die zeggen dat de wereld en het leven over miljoenen jaren geleidelijk zijn ontstaan.

Fransen is van mening dat de seculiere ontstaanstheorieën het bij het rechte eind hebben, en dat dit niet in strijd is met de goddelijke openbaring in Genesis. Zijn belangrijkste argument is dat de eerste hoofdstukken van Genesis niet strikt historisch opgevat moeten worden, omdat de tekst bedoeld is om een boodschap over te brengen die dieper gaat dan het vertellen van geschiedenis. Dit vindt Fransen zo belangrijk dat hij het meerdere malen herhaalt, wat enigszins storend is in een voor de rest goed leesbaar boek.

Maar eigenlijk is het een zwak argument, want geschiedenis en een diepere boodschap sluiten elkaar beslist niet uit. Genesis is een historisch overzicht van de vroegste geschiedenis van de aarde, en het is juist die geschiedenis die een boodschap met zich meedraagt. De belangrijkste boodschap van Genesis is dat God de Schepper is; wat is nu een betere manier om dat te communiceren dan een werkelijk verslag van Gods scheppingsdaden?

Een andere belangrijke boodschap is de zesdaagse werkweek; wat zou voor God een betere manier zijn om die boodschap over te dragen dan werkelijk de wereld in zes dagen te scheppen? Het sabbatsgebod in de Tien Geboden (Exodus 20:11) wijst dan ook terug naar een historische scheppingsweek, niet op een fictief verhaal.

God kan dingen op een bepaalde manier doen om ons iets te leren. Zo waste Jezus de voeten van Zijn discipelen om hun nederigheid te leren. Dit verhaal staat in het Evangelie van Johannes en is puur historisch, ook al zit er een diepere betekenis achter. De ’boodschap’ kan dus nooit worden gebruikt als ontkenning van de historiciteit.

Lithium 
Fransen wijdt twee hoofdstukken aan de wetenschappelijke onderbouwing voor de oerknaltheorie, een oude aarde en de evolutietheorie. Over het algemeen is die onderbouwing niet overtuigend. Zo stelt hij bijvoorbeeld dat..... 
Lees het hele artikel... | Link werkt niet? Klik hier...

www.vergadering.nu