www.vergadering.nu  Recensie-index  www.vergadering.nu

7 RECENSIES


De toekomst van God
Ontwerp van een eschatologie
dr. Willem J. Ouweneel
uitg. Medema, Heerenveen, 2012
ISBN 9789063536473
671 blz.
€ 49,95
Dit boek bestellen...

De toekomst van mens, wereld en universum in in Gods handen. Wij zijn benieuwd naar zijn toekomst. Dat gaat niet over de vraag wie Hij dan zal zijn, maar over de vraag hoe Hij zal handelen in de tijden die zullen komen.
Eens zal God alles en in allen zijn. Hoe het traject eruitziet tussen nu en die (verre?) horizon, dat zouden we graag willen weten. Zonder hoop kunnen we niet leven. Hoop is juist het vertrouwen op God aan die einder.
In het vorige deel is een basis gelegd vanuit verbond en koninkrijk. Daarop kan nu worden voortgebouwd in het onderwijs over de laatste dingen, de eschatologie.
Wat er met ons persoonlijk zal gebeuren én hoe God met deze wereld tot zijn doel kan komen, ligt verborgen in het geheim, wachtend op de openbaring van Jezus Christus. Niet alles is ons meegedeeld, maar toch kunnen wij de contouren zien van Hem die is en die was en die komt.

Dit is het tiende deel van een geplande dogmatische reeks. Lees meer recensies:

1. De Geest van God...
2. De Christus van God...
3. Het schepping van God...
4. Het plan van God...
5. Het zoenoffer van God...
6. Het heil van God...
7. De Kerk van God, deel 1...
8. De Kerk van God, deel 2...
9. Het verbond en het koninkrijk van God
10. De toekomst van God
11. Het woord van God
12. De glorie van God


7 . www.kerkbladvoorhetnoorden.nl - 15 juni 2013

De toekomst van God

Boekrecensie door D. Visser

Eerder besprak ik deel 9 van de dogmatische reeks van Willem J. Ouweneel, dat onder andere over het koninkrijk van God gaat. Deze keer geef ik aandacht aan het tiende deel met de titel: De toekomst van God. Met als ondertitel: Ontwerp van een eschatologie. Het is een prachtig gebonden boek van maar liefst 671 bladzijden, uitgegeven door Medema in Heerenveen, ISBN 978-90-6353-647-3, prijs € 49,95.

Deze studie gaat over de toekomst van de wereld van God. Daarom gaat Ouweneel met de titel van dit deel te kort door de bocht. De inhoud valt echter te typeren als: te lang van stof. Ouweneel komt helemaal op dreef als het over de toekomst gaat. Hij kent zijn Bijbel goed, alsook de meeste literatuur die op dit onderwerp betrekking heeft. Hij citeert zeer overvloedig, zowel uit de Bijbel als uit de werken van andere theologen. Dat maakt het vermoeiend dit boek te lezen. Maar wie wil weten hoe de visie van chiliasten op de toekomst van Gods wereld is, vooral van de progressieve dispensationalistische chiliast Ouweneel, kan in deze studie uitstekend terecht.

Twee volken
God heeft twee volken: Israël en, vanaf Handelingen 2, de Gemeente. Keer op keer hamert Ouweneel erop dat de Gemeente niet bestaat vanaf Adam, zoals de Neder-landse Geloofsbelijdenis in artikel 27 belijdt. Deze belijdenis acht hij onverenigbaar met de eerste zin uit dat artikel, ‘dat de Kerk een vergadering van gelovigen is die al hun heil verwachten van Jezus Christus’. De Gemeente is het nieuwe volk van we-dergeboren gelovigen dat God zich heel verrassend vanaf Pinksteren heeft gescha-pen en geen natuurlijk volk zoals Israël.

Volgens Ouweneel verwacht die Gemeente de aanstaande komst van Christus, haar hemelse Bruidegom, om haar op te halen en naar het Vaderhuis te brengen. Verder vereenzelvigt hij de Gemeente met het hemelse Jeruzalem. In de tijd van het vrederijk regeert Christus vanuit deze stad over de aarde. Dan is de Gemeente het kanaal voor de zegeningen van God, die primair voor Israël zijn bestemd.

Wie over de toekomst van Gods wereld nadenkt, moet dat vanuit de Bijbel Israëlcen-trisch doen. Met die overtuiging bedoelt Ouweneel dat Israël in de eindtijd weer in het beloofde land zal wonen. De tempel zal dan in Jeruzalem worden herbouwd, in eerste instantie de tempel van de antichrist, maar daarna de tempel zoals die in Ezechiël 40-48 beschreven staat. Israël zal in de tijd van het vrederijk het middelpunt van de aarde zijn. God zal zijn volk zegenen en de andere volken zullen die zegen opmerken niet alleen, maar zelf ook door Israël worden gezegend.

Het is bijna zover dat de Messias op de troon van David zal zitten. Dat concludeert Ouweneel uit de stichting van de staat Israël in 1948 en de verovering van Jeruzalem in 1967. Dit moet met zich meebrengen dat het Romeinse rijk eerdaags zal herleven. Daarbij denkt hij aan Europa. Ook speelt de koning van het Noorden een rol; Amerika misschien? Hoe het zij, de komst van Christus maakt aan deze machten een einde. Ouweneel ontleent deze inzichten onder andere aan de profeten. Wie de profetieën letterlijk uitlegt, neemt volgens hem de details serieus waardoor ze alle op hun plaats vallen. Gereformeerde theologen doen dat volgens hem veel te weinig en blijven bij de uitleg van de profetieën vaag.

De visie van Ouweneel visie op Israël en de Gemeente valt zo samen te vatten:

1. Israël is een natuurlijk volk, waarvan men lid is door geboorte, de Gemeente is een geestelijk volk, waarvan men lid is door wedergeboorte.

2. Voor Israël ligt de hoogste zegen in het messiaanse rijk, voor de Gemeente in het Vaderhuis.

3. Israël was nooit verbonden met een verheerlijkte mens in de hemel. God woonde te midden van hen, niet (individueel) in hen. De Gemeente is het lichaam van Christus in de hemel en de tempel van de Heilige geest op aarde, zowel individueel als collectief.

Bezinning gewenst
Ouweneel maakt de tegenstelling tussen Israël en de Gemeente niet (meer) zo scherp als de klassieke dispensationalisten. Met de laatsten is hij weliswaar van mening dat het nieuwe verbond Israël geldt, maar hij deelt hun mening niet dat de Gemeente daarvan wordt uitgesloten. Zij mag eveneens in de zegeningen van dat nieuwe verbond delen. Op dat punt is hij een stap in de richting van gereformeerde theologen gekomen.

Hij ziet tot zijn vreugde dat velen van hen na 1948 een stap in de richting van zijn visie hebben gemaakt: door een toekomst voor een bekeerd Israël in hun eigen land te zien. Die groeiende overtuiging is echter in strijd met een ‘kerk vanaf Adam’ en ‘de babydoop’, als vervanging van de besnijdenis. Ouweneel noemt dezulken bedekte aanhangers van de vervangingsleer. Hij heeft gelijk dat hier sprake is van een hinken op twee gedachten. Dat gehink komt voor een deel voort uit een beroep op oudvaders die van mening waren dat er voor Israël nog een grote toekomst is weggelegd. Hoe achtenswaardig zij ook zijn, het zijn de Schriften die de doorslag moeten geven. Daarom is een grondige exegetische bezinning op dit punt zeer gewenst.

Christocentrisch
Ondanks zijn veelvuldig citeren van de Bijbel, van de profetieën en van het boek Openbaring vooral, zou ik de exegese van Ouweneel meer als dispensationalistisch knip- en plakwerk willen typeren dan als de gewenste zorgvuldige uitleg. Hij heeft mij er in elk geval niet van overtuigd dat God twee ‘projecten’ heeft: Israël en de Gemeente. Het gaat God in de schepping van Adam om alle mensen. De roeping van Abraham en Israël geschiedde daarom met het oog op alle volkeren. Abraham is de vader van alle gelovigen, van niet-Joden en Joden. Die volgorde gebruikt Paulus in Romeinen 4:11-12, opmerkelijk genoeg. En Christus, de Zoon van Abraham, is de tweede Adam. Hij is gekomen voor Jood en niet-Jood. Hij heeft de twee tot één gemaakt. Dat maakt de roeping en verkiezing van Israël niet ongedaan, maar relativeert die wel. Daarom moet over de toekomst Christocentrisch worden nagedacht.

Bovendien moet worden bedacht dat Israël niet alleen maar een natuurlijk volk is. Dat blijkt alleen al uit de geboorte van Izaäk. Zijn wonderlijke geboorte is een teken van de geboorte van Gods wege, die zich voltrekt bij ieder die tot geloof komt. De opname van de Gemeente, zoals Ouweneel die leert, met als gevolg haar hemelse positie tijdens het vrederijk is m.i. een dispensationalistische dogmatische speculatie die ik met de Bijbel in de hand niet kan meemaken.


6 . www.boekhandelwesterhof.nl - juni 2013

De toekomst van God

Recensie door ds. Jenno Sijtsma

In mijn optiek behoort een christelijke geschiedbeschouwing te staan in de traditie van de oudste , dat is de augustiniaanse, geschiedverklaring. Dat is de interpretatie die ‘achter’ de historie een metahistorie ontwaart, dat is letterlijk een geschiedenis `achter’ de geschiedenis. De aardse gebeurtenissen zijn een gevolg en een weerspiegeling van metahistorische gebeurtenissen achter de schermen van de wereldgeschiedenis. Dat zijn de schermen die het immanente (`binnenwereldlijke’) scheiden van het transcendente(`bovenwereldlijke’). De loop van de `binnenwereldlijke’ dingen wordt in belangrijke mate bepaald door `buitenwereldlijke’ factoren.

Dat is mijns inziens een belangrijk citaat uit het boek `De toekomst van God’, ontwerp van een eschatologie, van de hand van prof. Dr. Willem J. Ouweneel. Het is het tiende deel in zijn Evangelisch-Dogmatische Reeks waarin allerlei aspecten van de toekomst van de wereld zoals God die ontworpen heeft en door Hem bewerkstelligd wordt, uitvoerig aan de orde komen. Ik zeg uitvoerig, want dat mag van Ouweneel wel worden gezegd: steeds opnieuw wordt er door hem niet alleen nadrukkelijk geformuleerd, ook in andere bewoordingen weet hij de besproken gedachte of zaak te herhalen, zodat de lezer er niet aan ontkomt terdege te vernemen en te bevatten wat de bedoeling van de auteur is. Dat daarbij ook in alles de Schrift aan de orde komt is vanuit de vorige delen zeer bekend.

Geschiedenis en heilsgeschiedenis
Alles wat wij meemaken en aan alles wat wij vanuit onze ervaring kunnen terugdenken, alles wat wij vanuit leerboeken kunnen leren ten opzichte van de tijd, de geschiedenis die achter ons ligt, heeft vanuit ons christen-zijn een meerwaarde. Want `alle geschiedenis is vanuit Gods raad bezien heilsgeschiedenis’. Dat betekent ook dat `het heil waartoe God in de voorbije eeuwigheid besloten heeft, stap voor stap zichtbare en tastbare werkelijkheid in de geschiedenis wordt, totdat het in de komende eeuwigheid ten volle gerealiseerd zal zijn in de gestalte van de Heiland, de `heilverwerkelijker’, Jezus Christus. En het is vanuit die zekerheid logisch te begrijpen dat Ouweneel steeds naar de Bijbel terugkeert en de Bijbelteksten veelvuldig citeert, omdat alleen daar beschreven wordt en te vinden is wat God met de toekomst van mens en wereld voorheeft. Niet in de zin dat wij exact kunnen vertellen hoe God de toekomst van mens en wereld invult, maar wel dat God zich bekendmaakt in de Schrift door middel van profetieën, waarvan vele inmiddels in alle voorlopigheid zijn vervuld.

Leven na de dood
Ondanks alle materialisme en de bewering dat de mens alleen maar uit stof bestaat, niet meer is dan een natuurkundig product, is er de laatste tijd een opleving en belangstelling gegroeid voor een leven na de dood, en daarmee de vraag naar de tussentoestand. Velen gaan ervan uit dat als de mens sterft de ziel naar de hemel gaat, maar dit is onder meer de visie van Plato, die het lichaam beschouwde als de kerker, waarin de ziel gevangen zat, een mening die zelfs Calvijn nog voorstond. Terecht zegt Ouweneel dan ook dat de Bijbel spreekt over een opstanding uit de doden, en dat betekent dat pas bij de opstanding de gelovige met onsterfelijkheid bekleed wordt. `Als een rechtvaardig mens sterft, gaat hij, als geestelijk levende, over tot een intensere vorm van leven, om in de opstanding het hoogste leven te bereiken.’ Het Nieuwe Testament openbaart dat de gelovige na zijn sterven bij en met Christus zal zijn, in afwachting van Christus’ komst in de voleinding.

Profetieën
Hoe boeiend ook, ik ga voorbij aan de bespreking van het substitutionalisme, de visie dat de kerk in de plaats van Israël gekomen en al de excessen die deze verkeerde theorie en theologie in de loop der eeuwen met zich mee heeft gebracht. Het is voor mij onbegrijpelijk dat op grond van Gods Woord mensen en kerken nog steeds menen dat Gods beloften, eens aan Abraham en in hem aan Israël gegeven, niet meer gelden. Ik verwijs hier heel graag naar het vorige deel in deze reeks `Het verbond en het koninkrijk van God’, waarin Ouweneel op onderscheiden plaatsen glashelder en loepzuiver hierover informeert.

Hier wijs ik de lezer liever op de bespreking van de Oudtestamentische profetieën, waar Ouweneel die veelal letterlijk neemt, ook al schrijft hij nadrukkelijk: geen enkele Bijbelse profetie is al in haar geheel en volledig vervuld. Ook de profetieën die duidelijk over de eerste komst van de Messias handelen zijn nooit geheel en al vervuld. `Zij wijzen altijd mede vooruit naar de komst van het messiaanse rijk.’

De Antichrist
Uiterst belangrijk en niet minder boeiend is het hoofdstuk over de Antichrist. Ouweneel maakt duidelijk dat de antichrist niet alleen tegen Christus en zijn volk is, maar dat de antichrist in de plaats van de ware Christus treedt,` zich voordoet alsof hij de ware Messias is; hij treedt op alsof hij het Lam is, maar spreekt als de draak.’ Ook is Ouweneel van mening dat de ongelovige massa van het Joodse volk de Antichrist zal aannemen alsof hij de Messias is, en hij aarzelt niet te zeggen dat de Antichrist weleens voor de hele religieuze wereld acceptabel zou kunnen zijn. Ook de economische macht zal de Antichrist in handen krijgen en Openbaring geeft aan dat niemand zal kunnen verkopen of kopen dan alleen de aanhangers van het beest. Het zal een vreselijke, afschuwelijke tijd zijn, waarin er geen lauwe christenen meer zullen zijn maar `alleen vast overtuigde en toegewijde Jezusbelijders.’ Zij zullen hun geloof en beleven veelal met de dood moeten bekopen.

Het chiliasme
Ook hierover heeft Ouweneel in het vorige deel al veel geschreven, maar nu gaat hij in op meer recente ontwikkelingen in het chiliasme of millennialisme, de leer van het duizendjarig rijk. Velen, ook in de kerk, hebben niets met de leer van het duizendjarig rijk, het wordt weggeredeneerd en zelden of nooit wordt er in de eredienst aandacht aan besteed. Mannen als Augustinus, Hiëronymus, Luther en Calvijn moesten er niets van hebben, en wezen het chiliasme af. Datzelfde gold voor theologen als Abraham Kuyper, Herman Bavinck, en Gerrit Berkouwer en in 1872 besloot de Christelijke Gereformeerde Kerk mar liefst dat `niemand zal toegelaten zijn te leeren of te verbreiden het gevoelen, dat Christus 1000 jaar zichtbaar en lichamelijk zal regeeren. Niettemin valt het toch niet te ontkennen, als men althans niet door exegetische vooroordelen gehinderd wordt (aldus Ouweneel), dat de duizend jaren van Openbaring 20 : 1 – 7 op de in Openbaring 19 beschreven paroesie, de wederkomst van Christus volgen. Maar, zo schrijft Ouweneel, `zolang men geen bewijzen voor het tegendeel heeft, moet men er juist van uitgaan dat de profetieën in Openbaring in grote lijnen chronologisch zijn, en dat het dus niet aangaat de duizend jaren vóór de paroesie te laten beginnen.’

Wie eenmaal zover in dit magistrale boek is gekomen dient zich te realiseren dat er in het wat volgt veel van de lezer wordt gevraagd. Bladzijde na bladzijde gaat Ouweneel in op beweringen en visies van theologen van vroeger en nu, die het chiliasme afwijzen. Het duizelt de lezer, mij althans wel, om het allemaal te bevatten is veel inspanning nodig, en bladzijde na bladzijde weerlegt Ouweneel allerlei bezwaren tegen de prechiliastische uitleg. Uiteindelijk komt het volgens hem, eenvoudig gezegd, Bijbels gezien hierop neer: Als Christus terugkeert op de wolken des hemels zal Hij de vijanden die tegen Hem verzameld zijn vernietigen en de zijnen verlossen. Hij zal het verdrukte `overblijfsel’ van Israël bevrijden en de gestorven heiligen zullen opstaan. Dat is het begin van het duizendjarig rijk dat Christus zal oprichten in macht en heerlijkheid. Na dat messiaanse vrederijk komt het einde, en zal de dood teniet gedaan zijn en geeft Christus het koninkrijk aan de Vader over en zal Hij zich ook zelf onderwerpen aan God. Er komt een nieuwe schepping , waarin God alles in allen zal zijn.

De paroesie is nabij
Jezus leert ons op de tekenen der tijden te letten en Ouweneel is er op grond van die tekenen van overtuigd dat de wederkomst van Christus nabij is. Want, zo zegt hij, `als Israël – hoofdzakelijk in ongeloof – terugkeert naar zijn land en daar een eigen staat sticht, als daar een messiasbelijdend `overblijfsel’wordt gevormd, als er zelfs sprake is van tempelbouw in Jeruzalem én van de opkomst van een groot westers machtsblok dat met Israël bevriend is, dan is de Antichrist nabij en daarmee is ook de paroesie nabij.’ En die zal plaatsvinden in Jeruzalem.

Hier wil ik het bij laten. Er is veel meer over dit boek te vertellen, dat spreekt voor zich Oneindig veel meer. Al met al is het een fascinerend boek waar ik wekenlang elke dag enkele uren in heb zitten lezen en studeren. Het feit dat Ouweneel bovenal een Schriftgeleerde is, die in alle theologiseren wil luisteren naar de Schrift, maakt dat ik dit boek zeker ook in handen wens van meelevende christenen.


5 . Leren leven - 2012 - http://jmzwart.wordpress.com...

(19) De toekomst van God. Ontwerp van een eschatologie

Boekrecensie door Mark-Jan Zwart

Ouweneel begint dit tiende deel van zijn evangelisch-dogmatische reeks met een inleiding op een christelijke geschiedbeschouwing. Daarbij stelt hij vast dat eschatologie over meer gaat dan alleen de toekomst en al helemaal dan alleen het ‘zalig verscheiden’ van de gelovigen. Eschatologie gaat over het doorbrekende rijk van God en is volledig Christocentrisch. 

Vervolgens besteedt Ouweneel een aantal bijzonder interessante hoofdstukken aan de dood, de tussentoestand en de hemel. Sterk vond ik de constatering dat de heerlijkheid van het hiernamaals niet afhankelijk is van de plaats (tussentoestand of hemel), maar van de Persoon: in beide plaatsen zijn wij bij de Heer Jezus. 

In hoofdstuk vier herhaalt Ouweneel zijn metahistorische opvattingen (inclusief een stukje angelologie en demonologie), die hij gebruikt om de Bijbelse profetieën te interpreteren. Van daaruit werkt hij vervolgens het bekende prechiliastische standpunt uit. Wat betreft de opname van de Gemeente laat Ouweneel het in het midden tussen de pretribulationistische en de posttribulationistische opvatting en de – voor mij nieuwe – leer van de partial rapture (alleen opname van de trouwe gelovigen). 

In zijn ontwerp van het verloop van de eindtijd rijgt Ouweneel soms wel in een voor mij nauwelijks te volgen snelheid Bijbelteksten aan elkaar.


4. Biblion - 2012 - www.deboekensalon.nl 

Boekrecensie door Biblion

Tiende deel van de evangelisch-dogmatische reeks, waarin de auteur onder een intrigerende titel vanuit een evangelische c.q. orthodox-christelijke invalshoek diepgaand ingaat op allerlei belangrijke aspecten van de eschatologie. 

Achtereenvolgens behandelt hij na een hoofdstuk over christelijke geschiedbeschouwing en de eschatologie, de tussentoestand in het Oude Testament en Nieuwe Testament, Israël in de oudtestamentische en nieuwtestamentische profetieën, de Antichrist, het chiliasme, de 'opname' van de Gemeente, de toekomst van de kerk, de paroesie, het messiaanse vrederijk en de eeuwige toestand. 

Uiteraard ook hier veel bekende informatie die we uit eerder werk van Ouweneel kennen, zoals de metahistorie, ons burgerschap in de hemel, het nabijzijn van de paroesie enzovoort. 

Het boek geeft een rijke en fascinerende uitleg. Het feit dat Ouweneel boven alles een kenner van de Schrift is, maakt zijn boek niet alleen inspirerend voor predikanten en theologen, maar ook van belang voor ambtsdragers en meelevende gemeenteleden.


3. Soteria - 5 juni 2012 - http://home.solcon.nl/voorde/Artikelen/De%20toekomst%20van%20God.pdf

Uit: Soteria (29e jaargang, nummer 2, 2012 - pagina 59-60)

De toekomst van God

Boekrecensie door Henk ten Voorde

In de evangelisch-dogmatische reeks van Ouweneel is het boek over de eschatologie 
verschenen. In eerdere delen heeft Ouweneel reeds standpunten onderbouwd over de 
relatie tussen Israël, gemeente en Koninkrijk van God. Daar bouwt hij in het nu verschenen 
deel op voort. 

In de hoofdstukken 2 en 3 gaat Ouweneel in op de individuele eschatologie. Centraal staat 
de hoop op de opstanding van het lichaam. Na de dood wacht een bewust voortbestaan, in 
een tussentoestand die duurt tot de wederkomst van Christus. 

De rest van het boek handelt over universele eschatologie: de toekomst van mensheid en 
schepping. Ouweneel omschrijft zijn positie als ‘een (zeer) gematigd dispensationalisme’ (p. 
182). Daarbij vormen het prechiliasme en het onderscheid tussen Israël en de gemeente 
voor hem beslissende uitgangspunten. In Ouweneels visie vindt gedurende zeven jaar 
voorafgaand aan de wederkomst van Christus de grote verdrukking plaats. Met de 
wederkomst van Christus breekt het duizendjarig vrederijk aan, waarin de beloften 
aangaande een nationaal en geestelijk herstel van Israël worden vervuld. 

Ten aanzien van de opname van de gemeente neemt Ouweneel geen standpunt in. Hij geeft 
drie mogelijke scenario’s weer (voor, tijdens of na de grote verdrukking) met een analyse van 
de sterke en zwakke kanten van elk standpunt. De lezer mag een eigen afweging maken. 
Voor het Nederlandse taalgebied is het boek een aanwinst omdat hierin een eschatologie is 
geformuleerd vanuit een gematigd dispensationalistisch standpunt. Ouweneel is in staat zijn 
visie goed te onderbouwen en nuchter en helder te formuleren, zonder te vervallen in 
speculatieve hypothesen. 

De meer dan vijftig exegetische passages in het boek dragen hier substantieel aan bij. Op 
een evenwichtige manier worden de verschillende posities afgetast, onder meer in het 
hoofdstuk over de opname van de gemeente. Ouweneel is daarbij niet bang af te wijken van 
populaire standpunten uit zijn eigen achterban. De exegetische passages onderbreken 
echter wel het grote verhaal, waardoor de lezer soms door de bomen het bos niet meer ziet. 
Er zijn vragen te stellen bij het boek. Ouweneel formuleert eschatologie als het ontleden van 
‘toekomstige geschiedenis’ (pp. 53, 56). Naast een praktisch-opbouwend doel ziet hij het 
‘uitsorteren van toekomstvoorspellingen’ als theoretisch doel van eschatologie (p. 151). Dat 
resulteert in het construeren van het verloop van de toekomstige geschiedenis. Uit alle delen 
van de Schrift worden daarvoor passages geselecteerd. Uitgangspunt lijkt te zijn dat het 
allemaal moet ‘kloppen’. Zo kunnen volgens Ouweneel de nieuwe hemel en aarde waar 
Jesaja over spreekt (p. 385-386) en het nieuwe Jeruzalem in Openbaring (pp. 459-461) niet 
alleen over de nieuwe hemel en aarde gaan. Die passages slaan, aldus Ouweneel, ook op 
het duizendjarig vrederijk, omdat anders de exegetische details niet kloppen. Maar waarom 
moet het kloppen? 

Is het niet beter iedere passage te beschouwen als een venster dat op een eigen manier 
zicht geeft op de grote toekomst van God? Zo kan aan iedere Bijbelpassage recht worden 
gedaan zonder dat het geheel naadloos in elkaar hoeft te passen. 

Ouweneel kiest voor een hermeneutiek waarbinnen profetische teksten over Israël en de 
omringende volken zo veel mogelijk letterlijk worden geïnterpreteerd (p. 205). Hij geeft wel 
toe dat deze denkwijze niet altijd opgaat (p. 207-209). Het lijkt erop dat Ouweneel zelfs 
regelmatig vastloopt, getuige zinnen als ‘metaforische taal waarvan de inhoud letterlijk moet 
worden genomen’ (p. 198). Waar het gaat om de wederkomst en de nieuwe hemel en aarde 
geeft Ouweneel volmondig toe dat daarover alleen kan worden gesproken in figuurlijke taal, 
omdat de werkelijkheid ons voorstellingsvermogen te boven gaat (pp. 482, 562). De vraag is 
of dat niet veel vaker opgaat als de Schrift spreekt over de toekomst. 

De nadruk die Ouweneel legt op de verschillende bedelingen (Israël, gemeente, grote 
verdrukking, duizendjarig vrederijk) leidt tot een categorisering van gelovigen. Elke categorie 
heeft een eigen positie binnen het heil van God (p. 526). Het is de vraag of de Schrift op 
deze wijze spreekt over het heil van God. 

Wat helaas gemist wordt is het gesprek met mensen als Hoek, Wentsel en Van de Beek. 
Opvallend is dat Ouweneel wél noemt dat steeds meer gereformeerde theologen niet meer 
uitgaan van de vervangingstheologie (p. 181), maar dat hij vervolgens hoofdzakelijk in 
gesprek is met vervangingstheologen uit het begin van de twintigste eeuw. Dat is jammer, 
want juist de gematigde positie van Ouweneel biedt een goed aanknopingspunt voor een 
gesprek met genoemde theologen. 

Voor een theoloog die ook filosoof is besteedt Ouweneel weinig aandacht aan filosofische 
kwesties die een rol spelen in de eschatologie. Vragen uit het open theïsme over het al dan 
niet vaststaan van de toekomst, en de daaraan gekoppelde vraag in hoeverre de toekomst 
kenbaar is, komen niet of nauwelijks aan de orde. 
Deze kanttekeningen nemen echter niet weg dat Ouweneel een waardevolle bijdrage levert 
aan het gesprek over de hoop op de toekomst van God. 

Henk ten Voorde, MA (docent Eschatologie aan de Evangelische Theologische Academie, 
onderdeel van het Evangelisch College) [ http://home.solcon.nl/voorde/ ]


2. - 25 april 2012 - www.rd.nl 

Ouweneel over verbond en toekomst

Boekrecensie door dr. J. Hoek 

Van prof. dr. Willem Ouweneel wordt nogal eens gezegd dat hij in zijn theologische ontwikkeling regelmatig bochten omslaat en daarbij eerder ingenomen standpunten verwisselt voor nieuwe visies. Dat is zeker niet uit de lucht gegrepen.

In de delen 9 en 10 van zijn evangelisch-dogmatische reeks toont hij zich echter trouw aan zijn dispensationalistisch paradigma. Of anders gezegd: hij houdt strikt vast aan de geijkte standpunten uit de kring van de Vergadering van Gelovigen (het darbisme).

Lekker winkelen zonder zorgen - Gratis verzending en retour

Aan deel 9 geeft hij het volgende citaat van de Amerikaanse theoloog J. Dwight Pentecost als motto mee: „De Bijbelse verbonden zijn heel anders dan de theologische verbonden die geponeerd worden door de verbondstheoloog… De tegenwoordige eeuw zal de volledige vervulling meemaken van alle verbonden die God met Israël gesloten heeft. In de Schriften wordt het koninkrijk op aarde gezien als de volledige vervulling van die verbonden, en wordt de millenniale eeuw (het duizendjarig rijk, JH) noodzakelijk ingevoerd teneinde de verbonden te vervullen.”

Hiermee zijn de fundamentele beslissingen in de verbondsleer alsook de toekomstleer genomen; de overige 1250 bladzijden van deze delen zijn te beschouwen als breedvoerige fundering en uitwerking van deze keuzes.

Kinderdoop
Deel 9 zet in met een Bijbels-theologische verhandeling over het verbond in het algemeen en over de verhouding tussen het oude en het nieuwe verbond in het bijzonder. Daarna volgt een historisch-theologisch overzicht, met aandacht voor onder anderen Calvijn en Bavinck, Coccejus en Comrie.

Ouweneel baseert zich hierbij op secundaire literatuur en beperkt zich tot korte aanduidingen, waaraan hij niettemin verstrekkende conclusies verbindt. Het komt erop neer dat volgens hem de verbondstheologen dogmatische vooringenomenheden laten heersen over de exegese van de Schrift. Het schema van de verbondsleer zou door Zwingli en de andere reformatoren aan de Schrift zijn opgelegd om koste wat het kost de kinderdoop te kunnen verdedigen.

Met deze beoordeling sluit Ouweneel bij voorbaat uit dat de reformatorische visie op Gods verbondsmatige omgang met de mensen vrucht zou kunnen zijn van zorgvuldig luisteren naar het getuigenis van het Woord. Het verbond is het wonder dat de eeuwige God ons, kleine en zondige mensjes, genadig Zijn vriendschap biedt en dat deze verbondenheid ons hele hebben en houden geldt, met ons nageslacht incluis. Hiermee hebben we een goudader in de Schrift te pakken.

Veelvuldig plakt Ouweneel etiketten zoals substitutionalisme (vervangingsleer) en spiritualisme op elke theologische benadering die uitgaat van de eenheid van Gods Kerk uit Israël en de volkeren, van de schepping tot de voleinding. Deze polemische benadering is te betreuren en nodigt niet uit tot een vruchtbare dialoog. Overigens staan daar tal van passages tegenover waarin Ouweneel juist met waardering spreekt over puriteinen en mannen van de Nadere Reformatie die –in een tijd dat dit uiterst onwaarschijnlijk leek– zicht hadden op de terugkeer van het etnische Israël naar het land der vaderen en op geestelijk herstel van Gods oude verbondsvolk in het laatste der dagen. Ik ervaar een spanning tussen enerzijds deze waardering voor gereformeerden die oprecht zoeken naar de blijvende bijzondere positie van het Joodse volk in Gods heilsweg, en anderzijds de bovengenoemde negatieve kwalificaties.

Doop en geloof
Er valt veel te leren van Ouweneels exegetische beschouwingen over nieuwtestamentische teksten die de betekenis van de doop in het licht stellen. Niet minder dan vier hoofdstukken zijn er aan de doop gewijd en dat is geen overbodige luxe. Terecht merkt de auteur op dat het hem weinig doordacht lijkt dat velen zich vandaag willen laten overdopen en tegelijk voluit gereformeerd willen blijven.

Lees verder... | Meer recensies over deel 9, Het verbond en het koninkrijk van God, klik hier...

Boekgegevens

Het verbond en het koninkrijk van God. Ontwerp van een verbonds-, doop- en koninkrijksleer, dr. Willem J. Ouweneel;
uitg. Medema, Heerenveen, 2011; ISBN 978 90 6353 618 3; 583 blz.; € 49,95.

De toekomst van God. Ontwerp van een eschatologie, dr. Willem J. Ouweneel;
uitg. Medema, Heerenveen, 2012; ISBN 978 90 6353 647 3; 671 blz.; € 49,95.


1. Nederlands Dagblad - 30 maart 2012 - www.nd.nl 

Chiliasme breekt christelijke hoop uiteen

Boekrecensie door Piet Houtman

Zoals te verwachten viel, is het nieuwe deel van Ouweneels dogmatiek ‘De toekomst van God’ doortrokken van het chiliasme, een specifieke opvatting van een toekomstig ‘duizendjarig rijk’. Dat is geen reden het links te laten liggen.

Ouweneel heeft zijn eschatologie of ‘leer van de laatste dingen’ een redelijk traditionele structuur meegegeven. Dat vergemakkelijkt de toegang. In de Bijbelse toekomstverwachting gaat het erom ons hoop te geven. Ouweneel weidt uit over de aard van de Bijbelse profetie over de toekomst. Dat is methodisch een goede zet.

In de bespreking van traditionele onderwerpen zoals de tussentoestand, de positie van Israël, de antichrist en de hel toont hij zijn kracht: belezenheid, eerbied voor de Schrift tot in de details, denkvermogen en een no-nonsensestijl. De niet-chiliastische lezer, die niet uit de voeten kan met het ‘duizendjarig rijk’, moet dan wel vanaf het begin de diskwalificatie ‘substitutionalistisch-spiritualistisch’ voor lief nemen.

Olijfboom
Het eerste gedeelte van dit scheldwoord duidt de opvatting aan dat de kerk in de plaats van Israël gekomen is, het tweede dat veel oudtestamentische schilderingen van de grote toekomst door middel van ‘vergeestelijking’ op de kerk worden toegepast. Ouweneel zet met deze zwaardhouwen de sinds Augustinus heersende opvatting in de hoek. Uitdagend is zijn historisch overzicht: pas sinds John Nelson Darby, de grondlegger van hethedendaagse chiliasme, krijgt de eschatologie weer de aandacht die zij verdient, stel Ouweneel.

De diskwalificatie doet de traditie geen recht. De kerk wordt gevormd door een groep die ook Ouweneel vaak apart aanduidt als ‘de gelovigen uit Israël en de volken’. Het is het ene volk nadat de muur, die scheiding maakte tussen Israël en de volken, afgebroken is (Efeze 2), de ene olijfboom met nog een aantal natuurlijke takken en daartussen geënte wilde takken (Romeinen 11).

Opname
De bespreking van het chiliasme neemt een groot deel van het boek in beslag. De verschillende opvattingen van het duizendjarige rijk worden uitgebreid met elkaar geconfronteerd. Een handig overzicht geeft de sterke en zwakke punten van elke benadering weer (p. 372). Een apart hoofdstuk is gewijd aan de ‘opname’ van de gemeente. Deze theorie verwacht op basis van 1 Tessalonicenzen 4 vers 17 dat de kerk op een bepaald moment in de geschiedenis de lucht in zal gaan om daar een tijd lang te blijven. Wanneer vindt dat plaats: voor, tijdens of na de ‘grote verdrukking’? Deze opvattingen heten respectievelijk pre-, mid- en posttribulationisme, afgekort tot pretrib enzovoort. Ik zou zeggen: voer voor wie beslist niet om deze stof heen wil of kan.

Ouweneels bespreking van deze onderwerpen is behoorlijk uitputtend. Wie dit heeft doorgewerkt, is helemaal geïnformeerd, of hij nu overtuigd is of niet. Een ander voordeel van zijn bespreking is de afwezigheid van de gebruikelijke sensatiezucht en fantasie. Speculatie bij de toepassing op de geschiedenis na de profetie is wel aanwezig, zoals over de vier rijken bij Daniël en de tien koningen in Openbaring 17, maar die speculatie blijft beperkt. Aan de andere kant is Ouweneel sterk in het vermijden van zwakheden die veel theologie kenmerken: ‘plaatjesvrees’, de neiging om visionaire beelden te omzeilen of haastig in abstracties te vertalen, en wolligheid.

Verre van vreedzaam
De bespreking van het duizendjarig rijk is zo grondig dat ook de zwakheden van het chiliasme duidelijk aan het licht treden. Ik ga voorbij aan de exegetische verlegenheden. Exegese van profetie blijft altijd problemen opleveren. Te sterk is wel de opvatting van profetie als ‘geschiedschrijving van de toekomst’.

Erger is dat het chiliasme het werk van God uiteenbreekt. Volgens Ouweneel ‘zijn Israël en de kerk twee verschillende “projecten” van God’ (182). ‘Het hemelse Jeruzalem is de bruid van het Lam (…), maar het aardse Jeruzalem is de bruid van de Koning’ (531). ‘Eeuwig leven’ betekent soms: leven tijdens het duizendjarig rijk (513). De schrijver eindigt met de roep van de bruid aan het eind van het boek Openbaring: ‘Kom, Heer Jezus!’, maar de ‘paroesie’, de (weder-)komst van Christus luidt het duizendjarig rijk in, niet de eeuwige heerlijkheid.

Bekering
En dat duizendjarig ‘vrederijk’ blijkt, naarmate de tijd vordert, uiteindelijk verre van vreedzaam te zijn. De auteur onderscheidt tijdens dat rijk tien verschillende groepen (mensen en engelen) die zich op zeven verschillende plaatsen bevinden. Zijn onderscheidingskracht en -wellust breekt hem hier op: de lezer haakt af. Onduidelijk is de betekenis van dit alles voor het geloofsleven. De verkondiging van het evangelie van Christus met oproep tot geloof en bekering verliest z’n spits.

Weliswaar blijft de verzoening van Christus de basis van het heil. Maar het duizendjarig rijk brengt een nieuwe kans tot bekering, en dan is de gestalte van de Gekruisigde veranderd in de verheerlijkte Koning. Vooral voor Israël, maar ook voor de volken is er een boodschap van hoop, die ze in de huidige bedeling nog niet in geloof hoeven aan te nemen.

Huiswerk
Ouweneel begon zo sterk over de hoop, maar dat uitgangspunt gaat verloren in een verwarrende veelheid van beelden.Voor de uiteindelijke ‘eeuwige toestand’ heeft de schrijver nog wel goede woorden over, maar het blijft bleek: verreweg het meeste profetische en visionaire kruit is al verschoten voor het duizendjarig rijk.

Niettemin blijkt het chiliasme nog steeds huiswerk op te geven aan de gereformeerde eschatologie. Zolang de prediking van de toekomst verlegen blijft met de Bijbelse ‘plaatjes’ en ze liever ‘geestelijk’ dan nieuw-aards interpreteert, zal het chiliasme haar altijd als reactie blijven vergezellen.

 

www.vergadering.nu