Kerkgeschiedenis
Interessante episoden uit de vroege kerkgeschiedenis

Menu

Evangelisch-Gereformeerd

De Opwekking komt eraan

NBV recensies

Waar was God?

Abortus - Euthanasie

Kerkgeschiedenis
  
De vroege kerk - deel 1
   De vroege kerk - deel 2
   De vroege kerk - deel 3
   De vroege kerk - deel 4
   De vroege kerk - deel 5
   De vroege kerk - deel 6
   De vroege kerk - deel 7
   De vroege kerk - deel 8
   De vroege kerk - deel 9
   Rachab
   Jozef van Arimathea en Jezus
   De leeuw/Heraldiek
   Bonifatius
  
Friezen, Angelen
   Waarom Brits-IsraŽl-visie?
  
Joden in verstrooiing

Satan

 


Uit: Een nieuw geluid - Tijdschrift over Nederlands-IsraŽl - april 2012

Wie was Rachab
Het nageslacht van Jozef

door Isebel Hill Elder

Het verhaal van Rachab begint feitelijk op het moment dat Jozef zijn twee zoons, Manasse en EfraÔm, naar het bed van zijn bejaarde vader brengt om de aartsvaderlijke zegen te ontvangen.
Jakob (IsraŽl) sprak de grote verbondszegeningen uit betreffende de vermeerdering van zijn nageslacht en de toegang tot het land dat door zijn nakomelingen geŽrfd zou worden als vervulling van het verbond met Abraham. Daarbij schonk Jakob aan de jongste zoon van Jozef, Efraim, nog het eerstgeboorterecht, wat tevens inhield het leiderschap en alle voorrechten van de eerstgeborene.

Dit waren vreemde woorden voor de oren van de jonge EfraÔm. "Zijn jongere broer (EfraÔm) zal groter zijn dan hij (Manasse) ... en hij plaatste EfraÔm vůůr Manasse ".

EfraÔm was al een zeer belangrijke jongen: zijn moeder was de prinses van On uit het koninklijk huis van Egypte; zijn vader, Jozef, was de eerste minister van Egypte, de heer van het land, die bewezen had een man te zijn van uitzonderlijke kwaliteiten en wijsheid.
De stam van EfraÔm was van adel geworden bij zijn oorsprong door afstamming van de Prinses van On Ė zoals heel IsraŽl van adel was geworden door afstamming van Sara, die koningin genoemd werd van een menigte volken die uit haar zouden voortkomen.

EfraÔm, die opgroeide aan het exclusieve hof van Egypte, kreeg de beste opvoeding die de wereld te bieden had, aangezien Egypte destijds het centrum van de wereldcultuur was.

Toen EfraÔm een man geworden was, trouwde hij en kreeg drie zonen. Hun namen staan vermeld in Numeri 26:35. Zij werden opgevoed in de wetenschap van geŽrfde zegeningen. Niet alleen geschonken aan de IsraŽlfamilie, maar die speciale beloften, waarvan de nakomelingen van EfraÔm de erfgenamen zouden zijn. Deze familietradities werden ook doorgegeven aan de kleinzonen van EfraÔm. Hun namen staan opgetekend in 1 Kronieken 7:20,21. 

Deze drie zonen en zes kleinzonen wilden, ongeduldig geworden, hun erfenis in bezit gaan nemen. De laatste waren de zesde generatie vanaf Abraham met wie het grote landverbond was gesloten (Gen. 15:18). Zij waren de nakomelingen van Abraham in Egypte en het zag er naar uit, dat ze daar ook zouden blijven, maar de zonen van EfraÔm besloten het land Kanašn te bezoeken en een begin te maken met de kolonisatie van het land.

Het was niet moeilijk vaste voet te krijgen in het beloofde land, want in die tijd en nog lang daarna viel Kanašn onder Egyptisch bestuur. De zonen van EfraÔm zouden dan ook Kanašn binnenkomen met een zeker prestige als mannen van IsraŽl, die in nauw contact stonden met het Egyptische hof.

Hoewel de Kanašnieten het niet toejuichten, tolereerden zij hun vestiging in het land en alles zou goed gegaan zijn als de zogenaamde kolonisten zich niet hadden misdragen: "En de mannen van Gath . . . . doodden hen, omdat zij waren gekomen om hun vee te roven". (1 Kron.7:2l). Het waarom van deze roof is moeilijk te begrijpen. Het werd zeker niet ingegeven door gebrek aan middelen. Een te groot vertrouwen in het slagen van hun expeditie heeft er mogelijk toe geleid dat zij het vee wilden gebruiken als dankoffer.
De voorbarige poging om hun erfenis te verkrijgen, en het tragische gevolg, zijn te lezen in 1 Kron.7:20,22: "Efraim dan, hun vader, bedreef vele dagen rouw over hen, en zijn broeders kwamen om hem te troosten". Al deze prinsen van IsraŽl, EfraÔms erfgenamen, werden gedood door de mannen van Gath. Wat een tragedie! Wat zou er nu terechtkomen van het geboorterecht?

Beria
Maar.... in zijn ouderdom kreeg EfraÔm nog een zoon, die de trieste naam Beria kreeg, "omdat zijn huis door onheil getroffen wasĒ. Beria groeide op en trouwde; de negende afstammeling van deze jongste zoon was Jozua, die aangewezen werd om IsraŽl het beloofde land binnen te leiden. Mozes, uit de stam van Levi, leidde de IsraŽlieten uit Egypte en door de woestijn, waar hij hun op Gods bevel de wetten en inzettingen gaf die hun de weg zouden wijzen in hun nationaal en geestelijk leven. 
Maar alleen iemand uit de stam van het geboorterecht, EfraÔm, kon hen over de Jordaan voeren. Mozes bracht hen tot vlak bij de oevers van de rivier en vanaf de hoogste top van de berg Nebo, Pisga, gelegen in de streek die zij als eerste zouden erven, - 'het veld van Moab' aan de oostzijde van de rivier - mocht hij het Beloofde Land zien. Hier eindigde zijn prachtige en trouwe leiderschap.

SeŽra
Er is nog een belangrijke schakel in de ketting van gebeurtenissen tussen de tijd van EfraÔm en die van Jozua: SeŽra, de dochter van Beria, ging naar het land Kanašn en vestigde zich daar. Dit belangrijke vrouwelijke stamhoofd begon met het bouwen van drie steden of kastelen, Beneden- en Boven Beth-Horon en Uzzen-SeŽra, ofwel de Burcht van SeŽra (1 Kron.7:24). Dat SeŽra al was getrouwd en een gezin had, evenals veel bedienden en bewakers, is op te maken uit het feit, dat er zoveel gebouwen nodig waren om deze vrouw en haar gevolg te huisvesten.

In het centrum van Kanašn ging SeŽra, de achterkleindochter van de prinses van On en Jozef, wonen en hier leefden haar nakomelingen, totdat hun verwanten van IsraŽl zich bij hen voegden onder hun grote leider, Jozua, eveneens van de stam van het geboorterecht.
We kunnen ons de verhalen voorstellen die in SeŽra's familie van generatie op generatie werden doorgegeven: hun vroegere roem in Egypte, hun koninklijke afkomst, hun geboorterecht als EfraÔmieten. En van tijd tot tijd zouden ze ook horen van de ommekeer in het geluk van hun verwanten in Egypte, toen er "een nieuwe koning kwam die Jozef niet had gekend": de slavernij, de uittocht, de training in de woestijn, de eerste overwinning onder Mozes van 'het veld van Moab' aan de oostzijde van de Jordaan.

Met al deze gebeurtenissen in het nationale leven van IsraŽl waren de van SeŽra afkomstige families min of meer vertrouwd. Toen in ťťn van deze families Rachab werd geboren, kreeg zij deze naam, die `herinnering aan Egypte' betekent, als aandenken aan de fiere band van haar volk met het Egypte van lang vervlogen dagen. Geen Kanašniet zou het in zijn hoofd halen zijn kind een dergelijke naam te geven; zij zouden geen enkele reden hiertoe hebben. De Egyptenaren waren hun opperheren aan wie de Kanašnieten schatplichtig waren.

Met behulp van de archeologie kunnen wij ons nu een duidelijk beeld vormen van Kanašn in de tijd van Jozua. De Tel-el-Amama tabletten, in 1887 aangetroffen in de ruÔnes van het paleis van de Egyptische koning Amenhotep IV, bestaan namelijk grotendeels uit brieven van autochtone Kanašnitische bestuurders aan hun opperheren en staan vol verzoeken om hulp tegen de IsraŽlitische indringers.1) De tabletten tonen aan dat er in elk van de Kanašnitische steden in Palestina, naast de plaatselijke heerser of koning, ook een Egyptische vertegenwoordiger was, volgens majoor Conder 2) een Paka genoemd, waarschijnlijk daar gestationeerd om de Egyptische belangen te behartigen. 

Zonder aanwijsbare reden trokken de Egyptenaren hun troepen uit Kanašn terug.
Majoor Conder merkt op: "De Egyptische troepen werden teruggeroepen uit Palestina in het jaar dat de IsraŽlieten uit de woestijn kwamen". Dit verklaart de woorden van Jozua in zijn rapport aan Mozes, nadat ťťn van de twaalf verspieders er op uit was gestuurd om het land Kanašn in ogenschouw te nemen: "hun verdediging heeft hen verlaten".

Het huis van de Paka, vergelijkbaar met onze moderne ambassade, stond vanzelfsprekend
op een prominente plaats, op de stadsmuur en dicht bij de Citadel. De Tel-el-Amarna tabletten vermelden de naam van een Egyptische vertegenwoordiger in Kanašn: Zimrida, gouverneur van Lachisch 3). Misschien dat de archeologie ook nog eens de naam onthult van de Egyptische Paka in Jericho in de dagen van Jozua.

Rachab
We keren nu terug naar Rachab en zullen proberen te achterhalen hoe zij aan de onaangename naam 'hoer' gekomen is. In oosterse talen, zoals bij voorbeeld het Urdu, wordt voor 'hoer' en ' weduwe' vaak hetzelfde woord gebruikt. Hetzelfde woord zou ook worden gebruikt om een vrouw te beschrijven die geen maagd meer is, maar zonder een man, of ze nu wettelijk getrouwd is geweest of niet. Het is een opvallend feit dat in de 'Authorized Version' van de Bijbel de moeder van Jerobeam, Zerua, te boek staat als een 'weduwe' (1 Kon. 11:26), terwijl in de Septuagint het woord 'hoer' is gebruikt. Als de vertalers in Jozua 2 het woord `weduwe' in de kantlijn hadden vermeld tegenover Rachabs naam, zou het de lezer direct duidelijk zijn geworden dat 'hoer' en 'weduwe' verwisselbare termen zijn. De Bijbelvertaler Ferrar Fenton laat in zijn vertaling de morele status van Zerua weg, terwijl Rachab een 'herbergierster' wordt genoemd, en door Coverdale een 'waardin'. 
Dit zijn alleen maar dappere pogingen om de naam van Rachab te zuiveren van de aanstootgevende term 'hoer'. Herbergierster en waardin houden echter geen historische waarheid in, want in het oosten hadden herbergen of 'khans' geen gastheer of gastvrouw.
De Septuagint, waarvan de Authorized Version is afgeleid, werd vertaald in een tijd waarin de vrouwen van IsraŽl nagenoeg hun hele sociale status hadden verloren door contact met de BabyloniŽrs tijdens de ballingschap. De rabbi's hadden er dan ook geen moeite mee de waarheid te vermelden betreffende de morele of sociale positie van welke vrouw dan ook.4)

Dat Rachab in Jericho was en niet bij haar IsraŽlverwanten in een van de Beth-Horon steden, wordt duidelijk uit het volgende. De Egyptische vertegenwoordigers waren vertrokken na de terugtocht van de troepen uit Kanašn. Het leek erop, dat de laatste Paka in Jericho was gestorven en dat zijn weduwe, Rachab, de ambassade niet had verlaten. Hoewel het niet werd aangemoedigd was het aan IsraŽlieten niet verboden met Egyptenaren te trouwen. Rachab was door met de Paka te trouwen dan ook niet schuldig aan het overtreden van de IsraŽlitische wet en evenmin ongehoorzaam aan een Goddelijk gebod.

Het huis dat is geÔdentificeerd als dat van Rachab, staat op de plek waar dat van de Paka gestaan zou hebben. 'In het noordwesten van de stad stond de grote citadel of Migdol, waarvan de muren nog steeds oprijzen tot bijna veertig voet. Rachabs huis stond dwars op de muur, niet ver van dit gebouw. Haar huis deelde niet in het lot van de vallende muren, aangezien zij en haar familie gered werden. De nabijheid van de citadel heeft zeker de muren in zijn onmiddellijke omgeving vastgehouden. Daaruit kan worden opgemaakt, dat het huis van Rachab aan de citadel grensde.' 5) Dit is precies de plaats waar we zouden kunnen verwachten de Egyptische ambassade te vinden, een speciaal voorgeschreven officieel gebouw, 'Het Huis op de Muur' waar Rachab woonde.

We gaan nu naar de overzijde van de rivier de Jordaan, waar Jozua bezig is zorgvuldig voorbereidingen te treffen voor de verovering van Kanašn. Jozua is vastbesloten geen stap te zetten dan op Gods bevel; hij wil niet dezelfde fout maken als zijn voorvaderen bij hun voorbarige poging, aanspraak te maken op hun erfenis. De IsraŽlieten krijgen instructies over de rol die ieder van hen moet spelen in de verovering en hun wordt geleerd volkomen gehoorzaam te zijn aan hun leider, Jozua, die zelf zijn instructies ontvangt van de grote Leider en Bevelhebber, de 'Aanvoerder van de legerscharen van de HEER".

Jozua's eerste stap bestaat uit het zenden van twee verspieders, "om het land en zelfs Jericho in ogenschouw te nemen. Zij gingen dan en kwamen in het huis van een hoer (weduwe), Rachab geheten . . . "

Uit deze woorden wordt duidelijk dat Jozua zich zeer goed bewust was van de aanwezigheid van zijn volksgenote in Jericho; hij zond de twee verspieders naar haar huis. De Lutherse vertaling geeft "Kundschafter" = boodschapper. Boodschappers worden met een speciale opdracht naar een duidelijk omschreven plaats of adres gestuurd. Daar aangekomen werden zij verwelkomd door Vrouwe Rachab en eenmaal over haar drempel, waren zij veilig. De ambassade was buitenlands gebied en de verspieders of boodschappers waren dus onschendbaar. Zij bevonden zich niet meer op Kanašnitisch grondgebied.

Het nieuws van hun komst bereikte al spoedig de plaatselijke heerser of koning van Jericho; hij stuurde zijn ambtenaren naar Rachab met het verzoek: "Lever de mannen uit, die tot u zijn gekomen, die uw huis binnengegaan zijnĒ.

Vanwaar dit verzoek? Waarom stuurde hij zijn ambtenaren niet met een huiszoekingsbevel? Omdat een plaatselijke bewoner niet zonder uitnodiging de ambassade kon binnengaan.. Wettelijk waren de verspieders nu in Egypte.

Deze gebeurtenis toont de scherpe scheidslijn aan tussen Rachab en de Kanašnieten tussen wie zij woonde. Hoewel de Egyptische vertegenwoordiger niet langer in de ambassade aanwezig was, gaven de Kanašnieten niet toe dat de Egyptenaren zich permanent hadden teruggetrokken, want in een brief van de koning van Jeruzalem aan Amenhotep klaagt hij: "Aangezien de Egyptische troepen weggegaan zijn en het land van de koning mijn heer hebben verlaten ... laat hem zo goed zijn op de smeekbeden acht te slaan", enz. 6)

Rachab zegt tegen de verspieders: "Ik weet dat JHWH jullie het land heeft gegeven". Niet alleen door het gebruik van de gedenkwaardige naam JHWH, maar ook door haar bekendheid met de grote Landbelofte, bewijst Rachab zelf een IsraŽlitische te zijn, hoewel haar voorouders gedurende acht of negen generaties gescheiden waren geweest van het grootste deel van IsraŽl.

Het is dit feit dat Rachab doet verlangen naar de verzekering dat, wanneer de verovering plaatsvindt, zij en haar familie beveiligd zullen worden tegen de afrekening van de zondige en afgodische Kanašnieten. Het scharlaken koord diende om de ambassade te kenmerken voor de binnenvallende IsraŽlieten en zo was opnieuw de verlossingskleur een teken van veiligheid voor IsraŽlieten 'in Egypte'.

Toen de verspieders in het kamp terugkeerden brachten zij van Rachab precies het nieuws mee, dat Jozua wilde horen: "Al de bewoners van het land sidderen voor u". De verovering zou dan ook niet moeilijk zijn. Wie anders dan een van zijn volksgenoten kon of wilde deze informatie beschikbaar stellen aan de leider van IsraŽl?

Terwijl Jozua aan de oostzijde van de Jordaan voorbereidingen trof om de rivier over te steken Ė de voorhoede bestond uit strijders van de stammen Ruben, Gad en de halve stam Manasse, volgens hun belofte aan Mozes (Joz.22:1-4) Ė was Rachab bezig dringende berichten naar haar familie en verwanten in Beth-Horon en Uzzen SeŽra te sturen, met de boodschap voor hun veiligheid naar haar toe te komen. Er was geen tijd te verliezen, want kort daarna werd Jericho totaal afgesloten door de IsraŽlieten. Niemand kon eruit en niemand kwam erin. En toen na verloop van tijd de muren van Jericho vielen en de totale verwoesting van de stad had plaatsgevonden, stuurde Jozua dezelfde twee verspieders (boodschappers) naar de nog onbeschadigde ambassade en zij "brachten Rachab naar buiten en haar vader, haar moeder, haar broeders en allen die haar toebehoorden Ė ja, haar gehele geslacht brachten zij naar buiten (veel families) Ė en zij wezen haar een verblijf aan buiten de legerplaats van IsraŽl".

De IsraŽlitische families uit de steden van SeŽra, na acht generaties tot een aanzienlijk aantal personen uitgegroeid, waren desondanks allemaal in veiligheid gebracht binnen de muren van de ambassade. Hoe zou hun hulp Jozua van pas komen bij de verovering van Kanašn! Zij bereidden de weg voor de vestiging van hun broeders in het Beloofde Land, zoals Jozef de weg bereidde voor de vestiging van zijn broeders in Egypte.

Deze IsraŽlieten, met Rachab aan het hoofd, waren de door God gekozen pioniers om hun erfenis in bezit te nemen. Deze IsraŽlfamilies, om veiligheidsredenen gehuisvest in de Egyptische ambassade, waren, zoals we geprobeerd hebben aan te tonen, EfraÔmieten en als zodanig konden zij aanspraak maken op de voorrechten van de eerstgeborene of leidende stam. "Want met een sterke hand heeft de HERE u uit Egypte geleid" (Ex.13:9). Toen IsraŽl een kind was, heb Ik het liefgehad, en uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen (Hosea 11:1).

Toen het kind Jezus naar Egypte werd gebracht voor zijn veiligheid werd de profetie vervuld: 'Uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen" (Matt.2:15). Dit is de allerlaatste gebeurtenis waarbij in de Schrift naar Egypte wordt verwezen als schuilplaats voor een IsraŽliet.

Dat de Egyptische heersers de IsraŽlieten behulpzaam waren bij de verovering van Kanašn kan worden afgeleid zowel uit de Schrift als uit de Tel-el-Amarna tabletten. De `hoornaar' was het embleem van Thotmoos III en zijn opvolgers.

Op Gods bevel herinnert Jozua IsraŽl eraan: "Toen zond ik hoornaars voor u heen, en deze dreven hen voor u uit, zoals de twee koningen der Amorieten; waarlijk niet door uw zwaard, noch door uw boog". Door archeologisch onderzoek bevestigt Sir Charles Marston, dat IsraŽl dergelijke hulp ontving van de Egyptische heersers ten oosten van de Jordaan, en ook door het terugtrekken uit Palestina van alle Egyptische troepen toen IsraŽl uit de woestijn kwam.

De reden voor de welwillende houding van de Egyptenaren ten opzichte van de IsraŽlieten in die tijd, zou gelegen kunnen zijn in het feit dat koningin Thyi, de vrouw van Amenhotep II, en moeder van Amenhotep IV, uit Noord SyriŽ kwam, dat bewoond werd door nakomelingen van Terah. Deze blonde blauwogige koningin van de Egyptische monumenten, kon dan ook aanspraak maken op verwantschap met de nakomelingen van Terahs zoon Abraham, die door de Hethieten werd genoemd: "Een vorst Gods zijt gij in ons midden" (Gen.23:6).

Rachab, de weduwe, trouwde met prins Salma, of Salmon, uit het huis Perez-Juda en kwam zo terecht in de exclusieve en Koninklijke familie waaruit het huis van David zou worden gebouwd (Matt. 1: 5).

Geen vrouw van bedenkelijk allooi zou toegelaten zijn tot deze door God beschermde Koninklijke kring, want een huwelijk met een Kanašniet was ten strengste verboden (Deut.7:1-3).

Rachabs zoon Boaz trouwde met Ruth. Daaruit volgt dat Naomi, de schoonmoeder van Ruth, door haar eerste huwelijk, en Rachab, haar schoonmoeder, door haar tweede huwelijk, voorbestemd waren om beroemde vrouwen in de geschiedenis te worden, die hun namen vastgelegd zagen in het geslacht van IsraŽls Verlosser en Koning.

Het is een opvallend feit dat de Brief aan de HebreeŽn en de Brief van Jakobus, (gericht aan de twaalf stammen in de verstrooiing), beide voornamelijk aan IsraŽlieten zijn gericht en dat hierin melding wordt gemaakt van de geloofskracht en het sterke karakter van hun voorouders, van wie Rachab van Jericho er ťťn was.

"Door het geloof is Rachab niet met de ongehoorzamen omgekomen, daar zij de verspieders met vrede had opgenomen" (Hebr.11:31). Het Griekse woord 'eirene', hier gebruikt voor vrede, betekent eenheid, eenheid, zeker van volk met de boodschappers die door Jozua waren gestuurd.

'En is niet evenzo Rachab . . .uit werken gerechtvaardigd toen zij de boodschappers in huis nam en langs een andere weg liet heengaan?" (Jac.2:25). 'Rechtvaardigen Ė dikaios Ė ik verdedig de zaak van Ė ik spreek vrij en rechtvaardig'.

Rachab verdedigde de zaak van haar volk IsraŽl door de hulp die ze Jozua kon verlenen bij zijn veroveringsplannen. Rachabs geloof was het geloof van een IsraŽlitische; het geloof van iemand die, zoals Abraham, gerechtvaardigd was door werken en die evenals de trouwe Abraham, de lof en zegen van de God van IsraŽl ontving.

        Vertaalde bewerking door R. Baarslag-van Zetten

1) Sir Charles Marston, The Bible Comes Alive, pag.89-108
2) Palestine's Fund Reports, Conder's Handbook
3) The Bible Comes Alive, pag.112
4) In Cruden's Concordance, onder het woord 'harlot' lezen we: Some think that she was only a hostess or innkeeper, and that this is the true signification of the original word. Had she been a woman of ill fame, say they, would Salmon, a prince of the house of Juda, and one of our Saviour's ancestors, have taken her to wife, or could he have done it by law'? Besides the spies of Joshua would hardly have gone to lodge with a prostitute, a common harlot; they who were charged with a so nice and dangerous commission.
(We lezen ook niet dat de verspieders nog ergens anders op verkenning zijn geweest!)
5) The Bible Comes Alive, pag.84
6) Palestine's Fund Reports, Conder's Handbook, pag.142


www.vergadering.nu