Nieuws

geen login?
Registreer

Diensten

Print artikelStuur artikel doorVoeg toe aan knipsel

„Vanzelfsprekendheid kinderdoop lijkt voorbij”

14-01-2009 08:34 | A. de Heer

DRIESUM - Van zijn boekje ”Genade als erfgoed. Het bijbelse recht van de kinderdoop”, dat eind 2005 verscheen, zijn inmiddels bijna 3500 exemplaren verkocht. Dit jaar verschijnt de vierde druk. Ds. A. J. Mensink is er blij mee, maar vindt het toch ook verontrustend. „De vanzelfsprekendheid van de kinderdoop lijkt voorbij.”

In De Waarheidsvriend, het orgaan van de Gereformeerde Bond in de Protestantse Kerk, wijdt de predikant van de hervormde gemeente in Driesum, lid van het hoofdbestuur van de Bond, momenteel een vierdelige serie artikelen aan het thema de kinderdoop. Deel 2 verschijnt donderdag.

Wordt de kinderdoop een probleem?

„Aanleiding tot het schrijven van mijn boekje, in de Artiosreeks, was destijds een verzoek van de Artiosredactie, met als achtergrond het toenemende aantal mensen dat zich laat overdopen. Nu de vierde druk verschijnt, heeft de redactie me gevraagd met name het laatste hoofdstuk, over de kerkelijke praktijk, waaronder de tucht, bij te werken. Met de artikelen in De Waarheidsvriend en de reacties die daarop komen, kan het hoofdstuk worden geactualiseerd.”

En reacties komen er. „Meteen al na mijn eerste artikel kreeg ik een mail van iemand die vond dat ik deze vragen helemaal niet in De Waarheidsvriend aan de orde mocht stellen - dat was niet oecumenisch genoeg. Te veel gericht op scheiding en te weinig op verbinding.”

„Ik krijg”, zegt ds. Mensink, „steeds meer het gevoel: Wanneer gaat de kerk zich hier nu eens over uitspreken? Ik heb zomaar het idee dat ook de meeste reformatorische kerken op dit punt niet echt meer voor de dag durven komen. Er verschijnen boekjes over de doop, van dr. B. Loonstra, van dr. P. Korteweg, maar van kerkelijke handreikingen is toch geen sprake.”

Terwijl het steeds vaker voorkomt dat meelevende gemeenteleden zich elders laten overdopen, maar toch met de moedergemeente willen blijven meeleven en aan het heilig avondmaal willen blijven deelnemen. „Kerkenraden tasten naar verantwoord beleid hierin. Maar noch de kerkorde, noch onze belijdenisgeschriften geven hier handvatten.”

Wat zou uw voorstel zijn, bijvoorbeeld op het punt van het al of niet uitoefenen van tucht?

„Als je nadenkt over wat tucht is, moet je op grond van het avondmaalsformulier, van de Bijbelse gegevens, zeggen: tucht gaat spelen op het moment dat er sprake is van zonde. Ik zou dan onderscheid willen maken tussen dwaling en zonde - waarmee ik niet wil suggereren dat dwaling een lichte variant is van zonde. Dwaling is een scheefgetrokken waarheid, en ook dat is ernstig. Maar bij zonde gaat het om duidelijke overtreding van het Woord.

En als het dan gaat over mensen die de kinderdoop verwerpen, tot overdoop overgaan -waarbij onkunde nogal eens een rol speelt- dan zou ik niet meteen zeggen dat er sprake is van zonde. Eerder van dwaling. Tot dusver heeft niemand me dat onderscheid -dat in de jaren dertig door dr. H. Bouwman ook al is gemaakt- betwist. Ik vind overigens dat ambtsdragers hierin een andere positie hebben dan gemeenteleden.”

Zonde wordt het, aldus de predikant, „wél als, zoals het avondmaalsformulier het zegt, mensen gemeenteverscheurend te werk gaan, hun dwalingen gaan drijven. Dat hangt dan vaak ook samen met een afwijzen van andere punten van de gereformeerde leer: de leer van de genade, de leer van de kerk, de leer van de heiliging. Dan heb je dus met een andere theologie te maken.”

Kort gezegd: mensen die zich uit onkunde laten overdopen, zijn niet tuchtwaardig; drijvers wel?

„Misschien dat je het zo kunt zeggen, ja. Op de eersten is misschien de term vermanenswaardig van toepassing. Of nee, dat klinkt meteen weer zo scherp. Wij willen elkaar van dwaalwegen terugroepen. Ik vind de kinderdoop wel een punt waarover we grondig met elkaar moeten doorspreken.”

„In hoeverre is de kinderdoop een zaak waarmee ons belijden staat of valt?” is de vraag waarop u in uw vierde artikel wilt ingaan. Kunt u al iets zeggen over uw antwoord?

„Ik draai het een klein beetje om. Ons belijden staat of valt met Jezus Christus en Die gekruisigd. Dát gewicht heeft de kinderdoop niet. Aan de andere kant kan afwijzing van de kinderdoop wel het gevolg zijn van dwaling in theologisch opzicht, zodat de grondlijnen van de Schrift in het geding zijn. Waar ik in mijn artikel van deze week dan ook voor pleit, is: laten we goed kijken vanuit welk theologisch kader iemand spreekt.

Het valt me wel eens op dat juist tegenstanders van de kinderdoop al heel snel zeggen: Maak je niet druk, op tal van andere punten zijn we het toch wel eens? Maar zo ligt het voor mij niet. De kinderdoop heeft voor mij iets van een status confessionis, namelijk als belijdenis van het eenmalige en volkomen zoenoffer van Christus.

Ik heb dat heel sterk gevoeld tijdens de vergadering van de generale synode, vorig jaar, toen er over de doop werd gesproken. De doop is echt onherhaalbaar. Als je dat zo voelt, denk je toch wel: Ja, hier staat of valt de gereformeerde confessie mee. En hoe langer ik erover nadenk, hoe meer ik ook denk: Je doop overdoen is zonde, ook al ervaar je dat zelf niet zo.”

Maar Spurgeon, Philpot en Bunyan dan?

„Bij iemand als Spurgeon kom je een reformatorische theologie van verlossing tegen: sola gratia en sola fide. Als je op dat punt zuiver, Bijbels denkt, dan kan ik je op dat andere punt, laat ik zeggen, vergeven.”

De vraag die ook u ongetwijfeld wel eens gehad zult hebben, is: Maar léért de Bijbel wel zo duidelijk de kinderdoop?

„Ik heb het hier juist deze week nog met mijn belijdeniscatechisanten over gehad. Hier in het noorden hebben we best sterk te maken met de baptistengemeente van ds. O. Bottenbley in Drachten. Voorheen begon ik dan wel eens met een verdediging van de kinderdoop. Tegenwoordig zeg ik eerst: de Bijbelse doop is de volwassendoop, vooral vanuit een missionair motief. Maar daarvan afgeleid is er de kinderdoop, de huisdoop met -de gezinsgedachte- het verbond. Dat is een heel mooie rode draad door de Bijbel. En die twee lijnen moeten we naast elkaar laten staan.”

Hoe kijkt u aan tegen het „vieren” van je doop?

„Ik moet zeggen: het kan toch een goed middel zijn om weer eens bepaald te worden bij de waarde van je doop. Als je catechisanten, gemiddeld genomen, vraagt op welke momenten ze bij hun doop bepaald zijn, dan hoor je meestal: Mijn doop is alleen aan de orde gekomen op het moment dat ik andere paden op wilde gaan, of in doopdiensten.

In die zin kan ik de gedachte om met enige regelmaat je doop te vieren, als herinnering, waarderen. Ik zal een mooi voorbeeld geven. Ik was op kraambezoek bij ouders die hun vierde kindje hadden gekregen. In het trapgat hingen alle doopkaarten. Elke keer als iemand naar beneden of naar boven ging werd hij of zij herinnerd aan de doop. Zoals Israël steeds door de gedenkstenen in de Jordaan werd herinnerd aan de doortocht.”

Laat de kerk zich over de kinderdoop uitspreken, is uw oproep. Ziet u dat gebeuren?

„Het zou niet goed zijn als ik nu meteen nee zei. Aan de andere kant zie ik het, zeker in een brede kerk als de onze, nog niet zo snel gebeuren. Maar ik zou het al heel mooi vinden als bijvoorbeeld de Raad voor het Gereformeerd Belijden dit thema eens zou oppakken, of dat de generale commissie voor de visitatie eens wat praktische lijnen zou uitzetten. Want nu is er eigenlijk niets.”