Nieuws

geen login?
Registreer

Diensten

Print artikelStuur artikel doorVoeg toe aan knipsel

„Doop is heilsdaad én geloofservaring”

16-02-2009 08:16| gewijzigd 16-02-2009 11:00 | Kerkredactie

BARNEVELD – Baptisten houden vast aan de geloofsdoop. Wie zich aansluit bij een baptistengemeente en als kind gedoopt is, zal toch worden gevraagd om zich te laten dopen door onderdompeling. Dat is geen herdoop, want ook baptisten stellen dat de doop maar één keer mag plaatsvinden, aldus drs. Jelle Horjus. Evenwel, de kinderdoop wordt niet als doop erkend.

Dat schrijft drs. Horjus in zijn onlangs verschenen brochure ”Dopen wat mondig is”, een uitgave van de Unie van Baptisten Gemeenten in Nederland. Horjus schreef deze brochure op persoonlijke titel maar zijn werk is wel door de Unie uitgegeven, wat betekent dat de Unie de inhoud ter overweging en bespreking in de gemeenten aanbeveelt. Horjus studeerde theologie in Utrecht, volgde het Baptistisch Seminarium en is momenteel bezig met een promotieonderzoek.

De doop is volgens Horjus de overgang uit het oude leven door de dood heen naar het nieuwe leven, met Christus. In de doop is God in de eerste plaats aan het werk. Hij vergeeft in Jezus Christus onze zonden en verlost ons leven. Maar deze handeling is een leeg en zinloos ritueel wanneer die niet aanvaard wordt in geloof, aldus Horjus. Doop en belijdenis zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden.

Kenmerkend voor de doop is volgens Horjus dat de dopeling in het midden van de gemeente zijn geloof in eigen woorden belijdt. De doop is een wederkerige persoonsrelatie. „Wanneer het element van Gods geven en schenken ontbreekt, of wanneer de ontvangende mens wegvalt, houdt de doop op doop te zijn.” Het gaat erom dat Gods genade beantwoordt wordt door de mensen.

De kerkhistorische ontwikkeling van de kinderdooppraktijk laat volgens Horjus ten aanzien van de doop in het Nieuwe Testament een forse accentverschuiving zien: van (tweezijdig) ontmoetingsgebeuren naar (eenzijdige) betuiging van Gods genade. De kinderen van de gemeente beschouwen als verbondskinderen is volgens hem een ongeoorloofde toepassing van een oudtestamentische gedachtegang op de nieuwtestamentische gemeente.

In baptistengemeenten houdt men vast aan de onderdompeling als een krachtig getuigenis van het begraven met Christus en opgewekt worden uit de dood. Even belangrijk is de verbinding van doop met het lidmaatschap van de gemeente. Veel baptistengemeenten kennen naast leden ook „vrienden”, gelovigen die zich nog niet willen laten dopen op hun belijdenis. Ze zien er bijvoorbeeld tegen op om in het openbaar een getuigenis te geven of ze zijn nog niet genoeg overtuigd om gedoopt te worden.

Horjus vindt dat baptisten-gemeenten niet consequent met deze aspirant-leden omgaan. Bij de ene gemeente kunnen ze soms zitting nemen in een raad van oudsten, bij een andere hebben ze nauwelijks rechten of plichten. Of ze worden om opportunistische motieven ingezet voor het gemeentewerk in een tijd van tekort aan menskracht.

Horjus is het oneens met de kerkgemeenschappen die een dubbele geloofspraktijk kennen, al heeft hij begrip voor de worsteling van de zogenaamde „vrienden” ten aanzien van de doop. „In heel West-Europa is de kinderdoop al eeuwenlang de overheersende dooppraktijk en vrienden zijn in zekere zin slachtoffers van de kerkgeschiedenis.”

Horjus stelt dat de doop niet kan werken als een sacrament van eenheid tussen kerken. Niet de doop, maar het verlossend handelen in Jezus is de grond van de eenheid. Baptisten hebben echter volgens hem niet het laatste woord over de doop. Hij kritiseert het individualisme en de nadruk op het gevoel in de baptistische geloofsbeleving. Maar bekering en doop zijn wel onlosmakelijk verbonden. Doop is „heilsdaad en geloofservaring in één”, aldus Horjus.