Terug naar de Recensie-index

1 RECENSIE


Het evangelie naar Mattheus - deel 1
Bijbelverklaring
G.A. van de Weerd
PMI-boeken, Veenendaal 2024
ISBN: 9083271625
845 pag. gebonden
€ 74,50

Dit boek bestellen bij Boekwinkeltjes.nl (tweedehands)...

of zoek bij: fakkel.nl | ichthusboekhandel.nl | goedhartboeken.nl

Na 10 boeken over 7 profeten en een boek over de Openbaring van Johannes gepubliceerd te hebben, heeft Gert van de Weerd zich de afgelopen jaren bezig gehouden met een verklaring van het Evangelie van Mattheus. Hiervan is op 20 juni het eerste deel verschenen, in DV 2025 zal deel 2 verschijnen.

Heeft Mattheüs ons dan nog wat nieuws te melden? Ja, want de grondtekst bevat veel meer dan verklaringen en vertalingen ons doen geloven. In de Bijbelverklaring van Mattheus (1) komen ook vragen aan bod die veel gelovigen weleens stellen. Over de opleiding van Jezus; de uitverkiezing; de tekst 'velen worden geroepen, weinigen uitverkoren' en de diepe betekenis van het Onze Vader. Gert geeft een verbeterde vertaling van de Bergrede en de Zaligsprekingen die velen tot troost zal zijn.

Van de Weerd is altijd op zoek naar een brede onderbouwing van zijn exegese. Ook besteedt hij veel aandacht aan het vinden van de juiste vertaling.

Voor Van de Weerd was het een logische stap om na de verklaring van het boek Openbaring een verklaring van Mattheus te schrijven omdat de beide boeken nauw bij elkaar aansluiten. Ze voeren allebei in belangrijke mate juist terug op het Oude Testament en de profeten.

De lezer mag van de Bijbelverklaring van Mattheus 1 verwachten wat hij gewend is van Gert van de Weerd: zeer diepgaande en serieuze bestudering van de tekst, verfrissende vertalingen en verrassende inzichten.


1. Profetisch Perspectief - augustus 2025 - www.profetischperspectief.nl

Lijvig precisiewerk over Mattheüs

Boekrecensie door Kees de Vreugd

We kennen de auteur van lijvige studies over een aantal Schriftprofeten en over het boek Openbaring. Met de kennis die hij daarin heeft opgedaan heeft hij zich 'gewaagd' (zo mag ik zijn eigen motivatie wel samenvatten) aan een studie van het evangelie naar Mattheus. Deel 1, opnieuw vuistdik, is vorig jaar verschenen. Aan deel 2 wordt hard gewerkt.

Het is ondoenlijk om dit werk in de tijd en de ruimte die ik gekregen heb, enigermate recht te doen. Ik ga in deze bespreking vooral in op een aantal uitgangspunten die mij opvielen.

Het eerste is de verklaring van de auteur van absolute gehoorzaamheid aan de Griekse grondtekst zonder dat enige dogmatiek daar invloed op heeft. Dat is een loffelijk streven, waar ik helemaal mee instem. En tegelijk klinkt het nogal pretentieus. Slaagt hij daarin? In ieder geval leest hij de grondtekst met een navolgenswaardige precisie. Soms levert dat een geforceerde vertaling en exegese op, zoals in Mattheüs 1:18, maar vaak ook mooie vondsten, zoals de vertaling 'geestelijk volwassen' voor teleios/volmaakt in Mattheüs 5:48.

Een ander uitgangspunt is tegelijk een eerste observatie van de aard van het evangelie: Mattheüs is vervulling van de profeten. De rode draad van Mattheüs is dat Jezus talloze profetieen uit de Tenach vervult en de beloofde Messias is, schrijft de auteur op meerdere plekken. Inderdaad zijn de vervullingscitaten kenmerkend voor het evangelie. Maar als we nauwkeuriger Jezus' eigen inzet bestuderen zien we dat het Hem ook — en ik zou zeggen: in de eerste plaats — om de vervulling van de Thora gaat. Bij alle uitvoerige excursen die hij van allerlei onderwerpen geeft zou een bespreking van het begrip 'vervullen' (met daarin het onderscheid tussen het vervullen van de Thora en de vervulling van profetenwoorden) op zijn plaats zijn geweest.

Soms doet de auteur merkwaardige uitspraken, zoals dat we 'geen dogmatiek moeten bedrijven op basis van de Geschriften', want Jezus citeerde 'nooit' de Geschriften (blz. 5). Ik dacht: en Psalm 22 dan? Of Psalm 8, of 110, die een fundamentele rol spelen voor het verstaan van Christus in de brief aan de Hebreeen?

Van de Weerd keert zich tegen uitleggers die het evangelie zien als eindresultaat van aanvankelijk mondelinge overlevering. Daar heeft hij een aantal goede argumenten voor. Wat hij daarbij alleen niet verdisconteert, is dat mondelinge overlevering in het toenmalige jodendom juist een heel zorgvuldig proces was, natuurlijk op een bepaalde manier gestileerd, zoals de (latere) Joodse bronnen laten zien, maar betrouwbaar. Bovendien, simpel gezegd, doordat men hoofdzakelijk op het geheugen was aangewezen, werkte dat ook anders en beter dan bij ons. De onlangs overleden Duitse nieuwtestamenticus Peter Stuhlmacher heeft — ook tegenover de exegeten die Van de Weerd bestrijdt – een pleidooi gevoerd voor de betrouwbaarheid van het proces van overlevering.

Nu ik het daar toch over heb, valt mij ook op dat er wel nu en dan naar de Joodse bronnen verwezen wordt, maar dat de Joodse achtergrond eigenlijk nauwelijks systematische aandacht krijgt. Dat is jammer. Dat zou een aantal problemen die hij signaleert verhelderd hebben, bijvoorbeeld in Mattheüs 6:1a (staat er 'liefdegave' [HSV] of 'gerechtigheid' [NBV21]? De Griekse manuscripten die 'liefdegave' (Grieks: eleèmosunè) lezen, verduidelijken het Hebreeuwse woord tsedaka (gerechtigheid, ook al in de zin van rechtdoen aan de noodlijdende naaste; Grieks: dikaiosunè) dat Mattheüs oorspronkelijk genoteerd moet hebben.

Tegen de Joodse achtergrond (én gezien de oorspronkelijke Joodse doelgroep) van het evangelie vind ik het storend dat de auteur de Hebreeuwse Godsnaam (JHWH) telkens voluit, dus met de klinkers, schrijft, terwijl het Nieuwe Testament daarvoor zelf consequent Heer (ho Kurios) of God (ho Theos) gebruikt.

OPNAMEGEDACHTE
Is de auteur wel zo onbevooroordeeld? Al in excurs 6 (Post-Sinaïtische Theologie, blz. 10) bezwijkt mijns inziens dat uitgangspunt onder de druk van een theologisch construct. De historische ontwikkeling van Israel naar een gemeente uit Joden en heidenen wordt tot theologische basis: de gemeente van Christus is in de nieuwe bedeling 'voertuig van het heil'. Uiteindelijk blijkt de idee van de 'opname van de gemeente' aan de basis te liggen van zijn uitleg van het evangelie – hoezo geen dogmatische invloed? De opname van de gemeente is mijns inziens een construct, een schema dat over de tekst gelegd wordt en dat dan ook leidt tot verkeerde exegeses. Het Griekse woord paralambanó dat in Mattheüs 24:40 gebruikt wordt, betekent niet 'weggerukt of weggevoerd, maar 'overnemen, in bezit nemen, aannemen, zorgen voor'. Ik zie ook in Daniel 9 totaal geen exegetische grond voor de idee dat de antichrist een verbond met de staat Israel zal sluiten. Buitengewoon problematisch in deze visie vind ik dat de 'gemeente' in de hemel de eeuwige zaligheid geniet en de orthodoxe Joden op aarde omkomen in de 'tijd van benauwdheid voor Jakob' (Jeremia 30:7).

De gedachte dat het volk Israel – al is het tijdelijk – de unieke positie van uitverkoren volk verspeelde (blz. 53) doordat het Jezus afwees, lijkt mij Bijbels gezien niet vol te houden. Paulus wijst in Romeinen 11 in een heel andere richting en ook uit het evangelie van Mattheüs zelf blijkt dat niet. Hier wreekt zich het opgelegde stramien van het dispensationalisme, dat in de uitleg van het evangelie tot een geforceerde splitsing van het evangelie leidt. Het nettoresultaat is mijns inziens gewoon vervangingstheologie.

Dat laat zich nog illustreren aan de uitleg van het begrip 'Koninkrijk der hemelen'. Dat is een synoniem van het messiaanse rijk op aarde (bIz. 179). Dat zegt de schrijver helemaal terecht. Mijns inziens is dat het gezichtspunt waaronder je het evangelie moet uitleggen. En het gaat dan om Israel als volk onder de Thora. Dat gezichtspunt mis ik dan weer. Vervolgens gaat het om de uitbreiding naar de volken (dat zal dan in deel 2 aan de orde komen), waarin de missie van Israel gestalte krijgt.

Kanttekening van Harry Sleijster
Geloof in een opname is natuurlijk wel Bijbels. En er komt sowieso een opname. De vraag kan wél zijn: Wanneer? Voor of na de Verdrukking? Het verwerpen van de opname door recensent leidt tot de vreemde conclusie dat in dat geval de vervangingstheologie geleerd wordt. Dat komt voor uit het niet begrijpen van de opnameleer. Tevens kent hij het onderscheid tussen Israel en de Gemeente niet. De Kerk en het volk Israel zijn één, zonder scheidingsmuur, maar zou gelovig-zijn of niet, dan geen rol spelen? Dit verschil van mening over de opname brengt allerlei irritatie met zich mee, met opmerkingen over bevooroordeling (wie is dat niet?) en over 'het koninkrijk dat van u zal worden weggenomen' (dat zou zelfs tijdelijk niet kunnen) (zie echter Mt.21:43) en leven uit de Thora óf Nieuwtestamentisch met ' liefde als drijfveer' zou geen verschil maken?  

Het is de heerschappij van God die op aarde baanbreekt. Daarom is het ook een Koninkrijk dat niet van deze wereld is (Joh. 18:36) – niet omdat deze koninklijke heerschappij van Jezus nu gesitueerd is in de hemel vanwege de afwijzing door de Joden (blz. 223), maar omdat het van een totaal andere orde is dan het koninkrijk dat Pilatus vertegenwoordigt.

Dat koninkrijk wordt niet van Israel weggenomen, maar Israel krijgt wel andere leiders. Ook Mattheüs 22:1-14 beschrijft niet een breuk met Israel, maar een scheiding der geesten in Israel, en dan nog niet als een onomkeerbaar oordeel, maar als een dringend appel. In dat Koninkrijk geldt onverkort de Thora, die niet in tegenspraak is met de liefde als drijfveer, maar in de liefde vervuld wordt (blz. 236).

Ten slotte een technische opmerking: hoewel het boek robuust is vormgegeven, is de plaatsing van de voetnoten verwarrend: ze staan door elkaar en tussen de tekst. Hopelijk kan dat in een volgende druk verholpen worden.

www.vergadering.nu