www.vergadering.nu  Recensie-index  www.vergadering.nu


Brieven | Biografie | Narniasprookjes | Ruimtetrilogie | Varensporen | Verrast | Diversen

4 RECENSIES


Varensporen en olifanten en andere essays
C. S. Lewis 
Uitgeverij: Kok, Kampen, 2006 
ISBN 90 435 1316 4 
Pagina’s: 320 
Prijs: € 24,50. 
Dit boek bestellen...

Kort na zijn overleden verscheen van C.S. Lewis de bundel Christian Reflections. In die bundel staan diverse bijdragen met een brede range van onderwerpen: ethiek, kerkmuziek, geschiedenis, christendom en de cultuur. In deze nagelaten geschriften toont Lewis zich op z’n best.
Scherp, origineel en humoristisch. De geselecteerde bijdragen laten een diepe indruk na. De relevantie van zijn schrijven doet zich na al die jaren nog steeds voelen.

C.S. Lewis (1898-1963) is in Nederland vooral bekend geworden als verdediger van een klassiek, niet gemoderniseerd christelijk geloof. Internationaal is hij vooral bekend geworden met zijn Narnia Kronieken. Van beroep was hij hoogleraar in de Engelse literatuurgeschiedenis. Jarenlang gaf hij leiding aan de Oxford Socratic Club, een discussiegroep voor theïsten en atheïsten.


4. Oogst - mei 2007

Versta uw tijd

Recensie door
P.d.B.

De grote werken van C.S. Lewis, zoals 'De kronieken van Narnia' en 'Brieven uit de hel', zijn al lang bekend in Nederland. Van de ca. 150 lezingen die hij hield is dat veel minder het geval. Dat deze het lezen meer dan de moeite waard zijn, blijkt uit de nieuwe bundel essays 'Olifanten en varensporen'. Drie interessante onderwerpen wil ik er graag uitlichten.

'Machtige Mythe'
In 1943 hield Lewis een rede over de evolutietheorie. Hij noemde dit een grafrede met als veelzeggende titel: 'Laatste eer voor een machtige Mythe.' Hierin toont hij dat hij de tijdgeest goed kon ontmaskeren. De evolutietheorie is niet langs logische weg voortgekomen, maar via de verbeelding. De wetenschap is daarbij tegemoet gekomen aan de verbeelding en daarom zo populair. De evolutietheorie is moderne mythologie. Dat er heel wat details in opgenomen zijn die wel kloppen, wil niet zeggen dat het universum ook werkelijk zo in elkaar zit. Als het dan niet waar is, waarom geloven er dan nog zoveel mensen in? Lewis: 'Een Mythe is natuurlijk niet zomaar dood. We mogen ervan uitgaan dat deze Mythe, verjaagd uit de geschoolde kring, nog lang haar greep op de massa zal behouden en zelfs nadat die ervan is losgeraakt nog eeuwen in de taal zal rondzingen. ( ... ) De redenen voor haar populariteit liggen heel diep.' Mensen zien dat een beukennootje verandert in een beukenboom en denken: 'Zie je wel, de evolutietheorie klopt.' Daarbij vergeten ze echter dat het beukermootje van een eerdere beuk is gevallen, en waar komt die dan vandaan?

Het oog waarmee men ziet
Veel ruimtevaarders hebben aangegeven God in de ruimte niet te zijn tegengekomen. Sommige mensen zeggen daarom dat God een illusie is. Lewis zegt dat er meer conclusies mogelijk zijn, bijvoorbeeld: 'Astronauten zijn God in de ruimte tegengekomen zonder dat ze het wisten, want ze hadden niet de apparatuur waarmee je Hem kunt opsporen', of: 'Wij zijn nog niet ver genoeg doorgedrongen in de ruimte.' Volgens Lewis is het zoeken naar God door middel van ruimtevaart hetzelfde als alle toneelstukken van Shakespeare lezen in de hoop hem tegen te komen.

Varensporen en olifanten
Voor de ondermijning van de oude orthodoxie door de moderne bijbelkritiek heeft Lewis geen goed woord over: 'Ze doen alsof ze varensporen kunnen zien, maar ze zien nog geen olifant op tien meter afstand.' Als theologen vertellen dat de verhalen van het Nieuwe Testament sprookjes zijn, dan geven ze daarmee in elk geval aan geen verstand van sprookjes te hebben. Vooral de bewering van vrijzinnige theologen dat 'het werkelijke optreden en de leer van Christus al heel snel door zijn leerlingen werd misverstaan en verkeerd doorgegeven en nu pas door de moderne wetenschap is herontdekt, is absurd.' Hij waarschuwt voorgangers: herders zijn er voor de schapen; als zij de historiciteit van de Bijbel ontkennen, worden de schapen rooms katholiek of atheïst. Dat laatste hebben we de afgelopen vijftig jaar helaas in grote getale gezien.

Profeet
De vertaling loopt soepel, het taalgebruik is vaak op hoog niveau. Dit boek biedt veel stof tot nadenken en heeft mijn denken aangescherpt. Je zou kunnen zeggen dat Lewis zijn tijd verstond, dat hij een 'profeet' was wiens woorden we ter harte moeten nemen, ook in onze tijd.


3. EO-Visie - 6 februari 2007


2. CV-Koers - 1 februari 2007

Varensporen en olifanten
en andere essays

Recensie door Tjerk de Reus

C.S. Lewis (1898 1963) is een formidabel schrijver. Elke nieuwe vertaling van zijn werk moet toegejuicht worden, zeker wanneer het een zo goed verzorgde vertaling betreft als Varensporen en olifanten. Arend Smilde is verantwoordelijk voor deze uitgave, die de zesde is in een mooie reeks ingebonden Lewis vertalingen. Het boek bevat een aantal essays van Lewis. Dat is opmerkelijk. Van Lewis' enorme oeuvre zijn juist de essays het minst vertaald. Uitgevers zien daarin meestal geen goede handelswaar. Jammer, want Lewis is een interessante essayist. Dat blijkt ook uit Varensporen en olifanten, waarin essays zijn opgenomen over christelijk geloof en literatuur, ethiek en kerkmuziek, bijbelkritiek en gebed.

Lewis trad graag in het krijt tegen moderne theologen. Hij vond het ook noodzakelijk. De in de titel gebruikte woorden 'varensporen en olifanten’ moeten vanuit deze context verklaard worden. Het gaat er bij Lewis om dat bijbelwetenschappers, die zich uitvoerig bezighouden met de voorgeschiedenis van de teksten, graag 'tussen de regels' lezen. Vanuit bepaalde vooronderstellingen wordt een constructie om een tekst heen gebouwd, die als verklaring moet dienen. Maar: lees nu eens gewoon wat er staat!

Dat wil Lewis hun voorhouden. "Deze mensen willen mij doen geloven dat ze tussen de regels van die oude teksten kunnen lezen; wat blijkt is dat zij duidelijk niet in staat zijn die regels zelf te lezen, in een zinvolle betekenis van het woord 'lezen'. Zij doen alsof ze varensporen kunnen zien, maar ze zien nog geen olifant op tien meter afstand in het volle daglicht.'

Over literatuur heeft Lewis altijd dingen te zeggen die het overwegen waard zijn. Neem deze observatie: “De ongelovige (schrijver, red.) zal misschien zijn eigen temperament en ervaring nemen, gewoon zoals die er toevallig aan toe zijn, en deze dingen het meedelen waard achten puur omdat ze feitelijk bestaan of, erger nog, puur omdat hij het is. Voor een christen zijn de feitelijkheid en de eigenheid van zijn eigen temperament en eigen ervaring op zichzelf van geen enkele waarde of belang; als hij er al iets mee doet, dan alleen omdat ze het medium vormen waardoor, of het standpunt waarop, iets van universele bruikbaarheid zich aan hem heeft vertoond." Grote literatuur is dan ook alleen literatuur die niet zichzelf tot onderwerp heeft, stelt Lewis. Het staat voor hem vast dat “de prachtigste dichtwerken allemaal geschreven zijn door mensen die niet de poëzie maar iets anders het hoogste aansloegen”.


1. Reformatorisch Dagblad - 20 december 2006 - www.refdag.nl 

Blatend schaap te midden van herders

Boekrecensie door Dr. A. Th. van Deursen

C. S. Lewis beschouwde zichzelf als een leek in theologische kwesties, een vrijmoedig schaap dat de herders echter best op hun plaats durfde te zetten. Tegen de vrijzinnige theologie zette hij de hulpmiddelen van logica en gezond verstand in - waardoor zijn redeneringen gewoonlijk even helder als overtuigend zijn. 

Dorothy Sayers, schrijfster van klassiek geworden speurdersromans, was een van C. S. Lewis’ vaste correspondenten. Als iemand dan vraagt: „Ja, maar wie was nou die C. S. Lewis?” stokt het gesprek even. Haast iedereen zou toch een zo veelzijdig man als Lewis moeten kennen. 

Die veelzijdigheid was er de oorzaak van, dat Dorothy Sayers en hij in hun briefwisseling eens een keer van mening verschilden. Zij vond dat een auteur alleen eerlijk werk leverde als hij innerlijke aandrang voelde tot schrijven. Dat kon Lewis onmogelijk met haar eens zijn. Hij schreef voor kinderen en voor volwassenen, voor het brede, geïnteresseerde publiek en voor de vakgenoten van de wetenschap, voor atheïsten om hen te bekeren, en voor christenen om hen te bevestigen in hun geloof. Wie voor zijn werk zoveel aftrek vindt bij zo verschillende lezers, moet in staat zijn te leveren op termijn en bestelling. Lewis antwoordde dan ook aan Dorothy Sayers dat hij bij zichzelf geen verband kon bespeuren tussen schrijfdrang en kwaliteit. Wie schreef omdat het moest, kon dus heel goed een hoogwaardig product leveren. 

Zeggingskracht 
Hij had gelijk, in elk geval voor eigen werk en persoon. We kunnen het allemaal zelf nagaan aan de hand van de pas vertaalde essaybundel, die verschenen is onder de titel ”Varensporen en olifanten”. Veel van de daarin opgenomen stukken zijn geschreven op verzoek, bijvoorbeeld als lezing over een opgegeven onderwerp. Het doet niets af aan de frisheid van de ideeën of de zeggingskracht van de woorden. 

Je zou best kunnen beweren dat Lewis welbeschouwd in de eerste plaats een essayist is geweest. Dat was nu precies een kunst die hij uitstekend verstond: in tien tot vijftien bladzijden een vraagstuk zo behandelen dat je de lezers onmiddellijk pakt, vervolgens hun aandacht vasthoudt met onverwachte paradoxen en andere prikkelende wendingen, en eindigt met een conclusie die hen bijblijft. Al de veertien hoofdstukken laten dan ook zien waarom Lewis zoveel lezers heeft gevonden, en nog altijd nieuwe bereikt.

Lekker winkelen zonder zorgen - Gratis verzending en retour

Wie weten wil waar dit boek over gaat zal niet veel inzicht putten uit de titel. In de bundel staat een opstel dat dezelfde naam draagt, maar in de eerste Engelse uitgave anders heette: ”Moderne theologie en Bijbelkritiek”. Dat zou niet passen voor het geheel, maar het verschaft ons wel een sterkere aanwijzing dan de varensporen en de olifanten. 

De hier verzamelde opstellen zijn na Lewis’ dood bijeengebracht en uitgegeven door zijn vroegere secretaris Walter Hooper. Die meende zelf dat de meeste stukken van theologische aard waren. Dat lijkt mij een eigenaardig misverstand, want in het titelverhaal, dat dus over moderne theologie en Bijbelkritiek gaat, noemt Lewis zichzelf nadrukkelijk een ondeskundige buitenstaander. Hij voerde bij die gelegenheid het woord voor studenten in de theologie die zich voorbereidden op het geestelijke ambt. Lewis sprak hen aan als herders en presenteerde zichzelf als een schaap, een blatend schaap, dat de herders vertelt wat slechts een schaap vertellen kan. 

Bijbellezer 
Dat is de rol waarin Lewis zich op zijn gemak voelt. Hij is een zeer vrijmoedig schaap, dat de herders best op hun plaats durft te zetten. Hij bestrijdt de vrijzinnige theologie van deze studenten niet door er een andere theologie tegenover te stellen. Hij zet de logica in en het gezond verstand, en kan daarbij niet alleen terugvallen op een grondige scholing in de literatuurwetenschap, maar ook op een enorme belezenheid zowel in de klassieke als in de Engelse letterkunde. Deze schijnbaar simpele hulpmiddelen staan er borg voor dat zijn redeneringen gewoonlijk even helder als overtuigend zijn. De herders hebben van hun blatende schaap niet terug. 

Wat vooral treft, is dat Lewis de behandeling van een probleem nogal eens op dezelfde manier begint, namelijk door de Bijbel op te slaan, in het bijzonder het Nieuwe Testament. Dan gaat hij niet bij de theologen te rade, maar leest eenvoudig wat er staat. 

Theologisch zou ik deze opstellen daarom niet noemen. Theologie is een wetenschap, en al beschikte Lewis over een hoogwaardige wetenschappelijke vorming, de godgeleerdheid was niet zijn speciale veld. Wel is hij vóór alle dingen een Bijbellezer, die leest met grote onbevangenheid, en dan over de teksten zo indringend kan schrijven alsof je ze voor het eerst krijgt uitgelegd. Lewis wil ook dat wij Bijbelteksten belangrijk vinden, want mensen zijn ieder ogenblik op weg naar de hemel of naar de hel. De hemel moet onze bestemming zijn, want wij zijn geroepen om de Heere te loven en te prijzen, en dat kunnen alleen verloste mensen doen. 

Langbaarden 
Dat klinkt goed puriteins, maar we moeten ons in Lewis niet vergissen. Het kan hem best overkomen dat zijn onbevangenheid de grens van het toelaatbare zeer dicht benadert. Zijn positie is niet zo gemakkelijk te bepalen. Ik zou het niet in mijn hoofd halen de Spreuken van Salomo wrevelig af te serveren als „een eindeloze reeks gemeenplaatsen van oosterse langbaarden.” Mij komt het voor dat de eerbied voor het Woord zulks niet gedoogt. 

Toch treft ons Lewis’ omgang met de Bijbel nooit als oneerbiedig, en ligt er niets tegenstrijdigs in als hij het zich veroorlooft de Schriftkritische theologen een arrogante omgang met de Schrift te verwijten. Hij laat het trouwens ook niet bij die langbaarden, en legt ons uit waarin de wijsheid van de Spreuken de klassieke oudheid toch te boven gaat. In zijn verlangen om te verstaan gaat hij nu en dan zeer aparte wegen. Maar is dat niet juist de reden waarom we Lewis graag lezen?

www.vergadering.nu