Menu
Evangelisch-Gereformeerd
De Opwekking komt eraan
NBV recensies
Waar was God?
Bode - WJ Ouweneel
Zoeklicht - F ter Velde
Visie - Ingezonden brief
ND - Duivel en tsunami
Links en video's
Bevrijdingsdag 050505
Kerkgeschiedenis
Satan
|
Bode - februari 2005
- Actueel onderwerp
De zeebeving in Zuidoost-Azië
Willem J. Ouweneel
Op het moment dat ik dit schrijf, wordt al het vermoeden uitgesproken dat de ramp die vooral Sumatra, Sri Lanka, India en Thailand
getroffen heeft, de grootste is sinds mensenheugenis. Wellicht zal het uiteindelijke aantal slachtoffers nog groter zijn dan bij de
tot dusver grootste natuurramp in de moderne geschiedenis: de aardbeving in Tangshan (China, 1976), die 240.000 doden eiste.
Het spreekt vanzelf dat een ramp van een dergelijke omvang vele vragen oproept over de voorzienigheid
van God. Wat had God met die ramp te maken? Was het de 'wil van God' dat in Zuidoost Azië honderdduizenden mensen omkwamen? Waarom
kan God zoiets gruwelijks 'willen'? Hoe is zo'n ramp te rijmen met de liefde van God? Of was het niet Gods wil, maar heeft de duivel
die ramp veroorzaakt? Maar kan God de duivel dan niet tegenhouden? God is toch almachtig?
Dit zijn verstandelijke vragen. Maar ze hebben ook alles met ons gevoel te maken: het gevoel van
overweldigd te zijn door de enorme krachten van de natuur en het medegevoel met de tallozen die zijn omgekomen en met de talloze
nabestaanden, die zovele geliefden verloren hebben. Hoe meer we ons met de slachtoffers vereenzelvigen, des te sterker worden de
genoemde vragen onze éigen kwellende vragen vragen niet slechts van ons verstand, maar van ons hart.
Theodicee
De vraag hoe, gezien het vele leed in de wereld, Gods almacht ('God kan alles; er gebeurt niets buiten zijn wil om') te rijmen is met
Gods liefde ('God wil slechts het goede voor de mens'), is al zo oud als de wereld van na de zondeval. Een poging om die vraag te
beantwoorden, noemen we een theodicee, letterlijk:'rechtvaardiging van God'. Als God volmaakt is in zowel zijn almacht als zijn
liefde, hoe kunnen we zijn handelen dan 'rechtvaardigen'?
In de Middeleeuwen vonden er natuurlijk ook verschrikkelijke rampen plaats; denk alleen al aan de
pestepidemieën, die miljoenen mensen in Europa hebben gedood. Ook toen werden de pijnlijke 'waarom?' vragen gesteld. Maar sinds het
begin van de 'moderne tijd' worden die vragen met des te meer felheid naar voren gebracht. Dat kwam vooral door de aardbeving en de
tsunami's die op 1 november 1755 de stad Lissabon troffen en daar 90.000 mensen uit het leven wegrukten. De aardschokken werden tot in
Luxemburg gevoeld en doodden ook in bijvoorbeeld Marokko nog eens 10.000 mensen. Vanwege de kritische, om niet te zeggen cynische,
vragen die sommige 'Verlichtings' filosofen opwierpen, met name Voltaire, hebben sommige auteurs daarom 1755 het begin van de 'moderne
tijd' genoemd. (Het jaar 1755 ligt dicht bij 1765, het jaar waarin de stoommachine werd uitgevonden, die het begin van de
technologische, en naderhand van de industriële revolutie inluidde; slechts 24 jaar later vond de Franse Revolutie plaats. Alles
'revolutie' wat de klok sloeg!)
Gods hand in de geschiedenis
Ook in de Middeleeuwen en in de tijd van de Reformatie werden naar aanleiding van rampen soms moeilijke vragen gesteld met betrekking
tot de almacht en de liefde van God. Maar onder zowel katholieken als protestanten heerste toch nog sterk het besef van de
voorzienigheid van God, die de mensen liefheeft, ook al heeft Hij soms de schijn tegen. Gods hand is in alle gebeurtenissen aanwezig,
hetzij in voor of tegenspoed, achter alle dingen gaat het handelen van God schuil. Men kan daar berustend en gelaten op reageren, met
een dof fatalisme, maar ook met een groot geloof, dat tegen God durft te zeggen: 'Ik begrijp niet wat U doet, maar ik vertrouw U.'
In de tweede helft van de achttiende eeuw echter veranderde het beeld voor veel westerlingen. God werd nog wel getolereerd, maar dan
hoogstens als de Schepper 'in den beginne', niet als een God die Zich nog steeds concreet met mensen en gebeurtenissen bezighoudt
(deïsme). Wat het heden betreft, hebben wij hoogstens met blinde natuurwetten te maken, niet met een God die de levens van mensen
leidt. Wie toch aan zo'n idee vasthoudt, krijgt de aloude vragen naar zijn hoofd, maar nu met bijtend cynisme: hoe kan een God van
liefde in Zuidoost Azië tienduizenden onschuldige kindertjes ombrengen!? Wij hebben op deze en andere vragen ook geen pasklaar
antwoord; maar de Bijbel geeft wel belangrijke aanzetten, waarvan ik er een paar aanstip:
1. God was erbij
Floris Bakels, die ooit een boek schreef over zijn ervaringen in de concentratiekampen tijdens de Tweede Wereldoorlog, kreeg vaak de
vraag: 'Waar was God in Auschwitz?' Zijn antwoord was dan eenvoudig: 'In Auschwitz.' Dat betekent: waarom God 'Auschwitz' heeft
toegelaten, begrijpen wij niet maar wij houden er wel aan vast dat het niet buiten Hem is omgegaan, ja, dat Hij er Zelf bij was. Zoals
bij de zeebeving: 'Uw weg was in de zee, uw pad in grote wateren' (Ps77:20). God verhinderde niet dat Israël in het vuur van de
'ijzeroven' terechtkwam (Dt4:20), maar Hij 'woonde' wel bij hen in het vuur, als voorgesteld in de brandende braambos (Dt33:16 SV).
God verhinderde niet dat de drie vrienden van Daniël in de vurige oven terechtkwamen, maar een 'zoon der goden' (Dn3:25;'de Zoon van
God'!) was bij hen in die vreselijke oven. De Here Jezus verhinderde niet dat de discipelen in een storm terechtkwamen, maar Hij was
bij hen in de storm (Mk4:37 39). God heeft ons nooit beloofd dat Hij ons zou bewaren voor het vuur en het water, maar wel dat Hij in
het vuur en het water met ons zou zijn: 'Wanneer gij door het water trekt, ben Ik met u; ( ... ) als gij door het vuur gaat, zult gij
niet verteren en zal de vlam u niet verbranden' (Js43:2).
2. God spreekt ons aan
De Here Jezus zegt: '( ... ) die achttien op wie de toren in Siloam viel en hen doodde, denkt u dat zij schuldiger waren dan alle
andere mensen die in Jeruzalem wonen? Nee, zeg Ik u, maar als u zich niet bekeert, zult u allen op dezelfde wijze omkomen' (Lk13:4v.).
Hier leren we op z'n minst twee belangrijke dingen. Enerzijds: als mensen door een ramp getroffen worden, mag je niet denken dat die
mensen grotere zondaars zijn dan degenen die ervoor gespaard bleven. Anderzijds heeft zo'n ramp altijd wel met schuld en oordeel in
algemene zin te maken want als wij ons niet bekeren, zullen wij net zo omkomen. Je zou het zo kunnen zeggen: een ramp over sommige
mensen is altijd een getuigenis van God aan alle overige mensen: Denk erom, bekeer je tot de levende God (niet alleen niet christenen,
maar ook christenen!). In 0p6:8 komt er een ramp (oorlog, hongersnood, epidemieën, wilde dieren) over een vierde deel van de aarde
(dat betreft tegenwoordig anderhalf miljard mensen!) opdat de overigen zich zullen bekeren (vgl. 9:20v.; 16:9,11). We bidden dat de
ramp in de Indische Oceaan velen tot geloof mag brengen maar we moeten vrezen dat het, net als in Openbaring, alleen maar het ongeloof
van velen zal versterken. Dat is niet Gods schuld, maar de schuld van hen die weigeren de juiste lessen uit de ramp te trekken.
3. Maak je één met de angst van zovelen
In Lk21:25v. spreekt de Heer over de 'benauwdheid onder de volken, in radeloosheid door het bruisen van zee en watergolven, terwijl
mensen het besterven van bangheid en verwachting van de dingen die over het aardrijk komen; want de krachten van de hemelen zullen
wankelen'. Ook wij als christenen kunnen de ramp in Zuidoost Azië niet ten volle verklaren, maar wij kunnen ons wel eenmaken met de
radeloze angst die duizenden ervaren als ze geconfronteerd worden met het geweld van 'zee en watergolven'. Wij hebben niet alleen
sympathie voor hen die die angst ervaren, maar wij ervaren iets van die angst ook in ons eigen binnenste. We kunnen die angst op God
projecteren en Hem er verwijten over maken. We kunnen óók doen wat de Heer aanbeveelt: 'Als nu deze dingen beginnen te gebeuren,
richt u op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing is nabij' (vs28). Dat betekent: onze angst lost zich op in de verwachting van
de glorieuze toekomst van de Heer.
4. Kijk niet slechts naar oorzaken, maar naar doel
Als de discipelen vragen naar de oorzaak van de handicap van de blindgeborene ('Rabbi, wie heeft gezondigd, deze of zijn ouders, dat
hij blind geboren werd?'), verschuift de Heer hun aandacht naar het doel: 'Noch deze heeft gezondigd, noch zijn ouders; maar de werken
van God moeten in hem worden geopenbaard' (Jh9:2v.). Zo ook bij Lazarus: 'Deze ziekte is niet tot de dood, maar ter wille van de
heerlijkheid van God, opdat de Zoon van God erdoor wordt verheerlijkt' (Jhl 1:4; vgl. vs40: 'Heb Ik je niet gezegd, dat je, als je
gelooft, de heerlijkheid van God zult zien',').
Ook bij rampen komen we er vaak niet ver mee als we alleen vragen naar de oorzaken ervan, bijvoorbeeld
de zondigheid van de mens; we moeten ook vragen naar het doel, en dan niet alleen op de korte, maar vooral ook op de langere termijn.
Mt24 en Rm8 laten zien hoe rampen horen bij de route naar de verwerkelijking van het koninkrijk van God in macht en heerlijkheid.
Am3:6 zegt: 'Geschiedt er een ramp in een stad zonder dat de HERE die bewerkt?' Waar dat zo is, mogen we erop vertrouwen dat God er
ook altijd een doel mee heeft, zelfs al kennen wij het kortetermijndoel niet (wel het langetermijndoel: de invoering van Christus en
zijn koninkrijk!).
5. Begrijpen en vertrouwen
De moderne mens wil begrijpen: zoals seismologen aardbevingen proberen te duiden aan de hand van schuivende aardschollen, zo vinden
theologen dat aardbevingen uiteindelijk ook theologisch helemaal geduid moeten kunnen worden. Als dat niet Iukt, voelen we ons
onbevredigd. De bijbelse mens beleefde het anders: minder verstandelijk, meer vanuit zijn hart. Enerzijds vinden we in het algemeen
geen doffe berusting bij hen, maar eerder een heftig redeneren met God, waarbij de 'waarom?-vragen niet van de lucht zijn. Denk maar
aan Abraham (Gn18), Mozes (Ex32v.), de zonen van Korach (Ps44), Elia (1Kn19), Jeremia (o.a. Jr20), en vooral Job. Anderzijds houden
zij steeds aan God vast. Zij redeneren niet over God, zoals in onze theologische discussies maar al te vaak gebeurt, maar met God. Met
daarin zulke ontroerende uitspraken als deze: 'Wil Hij mij doden, ik blijf op Hem hopen' (Jb13:15). Zoals de Jood die in 1492 met
honderdduizenden uit Spanje verdreven was, al zwervend door Europa zijn vrouw en zijn kinderen verloor, en ten slotte uitriep: 'God,
nu hebt U alles geprobeerd om mij ertoe te brengen U vaarwel te zeggen, maar het zal U niet lukken: ik blijf mij aan U vastklampen.
'Veel mensen lijken echter eerder op de vrouw van Job, die tegen hem zegt: 'Volhardt gij nog in uw vroomheid? Zeg God vaarwel en
sterf!' (2:9).
6. Afhankelijkheid
Ik had het over de 'moderne mens'; dat is de mens die niet per se het bestaan van God loochent, maar in de praktijk van het leven Hem
niet echt meer nodig heeft. Hij leeft onafhankelijk van God; hij meent ten opzichte van Hem nu op eigen benen te kunnen staan. Hij is
als de verloren zoon die, toen hij een groot vermogen in handen had gekregen, de vader niet meer nodig had en hem verliet. Ook de
moderne mens is wég van de Vader, en zal dat blijven totdat de rampen in zijn leven hem er weer bewust van maken dat hij zonder de
Vader niet kan. Dat is het moment dat hij 'tot zichzelf komt' (vgl. Lk15:17).
De moderne mens lijkt erg op die verloren zoon. In veel opzichten zijn ook wij 'modern': door onze
medische voorzieningen, onze verzekeringen en de verzorgingsstaat hebben wij ons aan alle kanten ingedekt. Waarvoor hebben ook wij God
nog echt 'nodig'? De moeilijkheid is dat, als wij ziek worden, wij vaak meteen naar de dokter rennen zonder ons af te vragen wat God
ons ermee te zeggen heeft. Als we een brandje hebben of onze auto wordt gestolen, rennen wij meteen naar onze verzekeringsagent,
opnieuw zonder ons af te vragen wat God ons ermee te zeggen heeft. Waarom vragen we ons dat dan wel af als er ergens een grote ramp
gebeurt? Óf wij leren God in alle dingen van ons leven te betrekken, óf we moeten zo eerlijk zijn Hem nooit erin te betrekken.
Eén tsunami kan ons weer duidelijk maken hoe betrekkelijk al onze 'zekerheden' zijn, hoezeer de
schepping nog in barensnood is (Rm8:22), hoe gemakkelijk God al onze voorzieningen kan wegrukken en hoe afhankelijk wij dus van Hem
zijn. Dan ontdekken we weer dat 'onze adem in Gods hand' is (vgl. Dn5:23). Daarom: 'wanneer uw gerichten [inclusief natuurrampen] op
de aarde zijn,leren de inwoners der wereld gerechtigheid' (Js26:8). Tenminste, dat hopen we dan maar. Ook de 'moderne'
(onafhankelijke) christenen moeten terug naar God, naar Christus, niet alleen als er grote rampen gebeuren, maar bij alle grote én
kleine dingen in het leven.
|